Overgenomen uit het Leids Jaarboekje nr. 101 (2009).
Geschreven door Ineke van der Sar. Zij is geschiedenislerares aan het Rijnlands Lyceum Oegstgeest. Naast haar werk schrijft zij toneelstukken over historische personen en gebeurtenissen.
Voor de oorspronkelijke tekst, zie: https://www.oudleiden.nl/publicaties/jaarboekje?category[0]=1&category_children=0
De oorspronkelijke tekst is hier en daar aangevuld met bij deze geschiedenis betrokken personen. Ook zijn links opgenomen bij in dit verhaal voorkomende personen naar hun vermelding in de database van deze site,
‘De vrouw van levenslang’
‘Maria Caterina Swanenburg, de vrouw van levenslang, oud vierenzestig jaar, geeft met verschuldigde eerbied te kennen…‘ Zo begint het rekest dat de vrouw die bekend is komen te staan als ‘Goeie Mie, de Leidse gifmengster’, in januari 1905 indiende bij de Hoge Raad. Zij ontkent hierin schuldig te zijn aan de vergiftiging van het gezin Frankhuizen, waarvoor zij in 1883 was gearresteerd. In 1885 was zij hiervoor en voor nog twee gevallen van vergiftiging veroordeeld tot levenslang en in het rekest verzoekt zij om herziening van haar vonnis. Aangezien Mie zelf niet kon schrijven werd haar – tamelijk breedsprakige – relaas opgetekend en ondertekend door de directrice van de gevangenis; Mie ondertekende met een kruisje. Na het eerste rekest volgde nog een tweede in 1906 en een brief met aanvullingen, ook verstuurd in 1906. Uit de notulen van de vergaderingen van het gevangenisbestuur blijkt dat Mie vanaf 1902 voortdurend probeerde haar veroordeling terug te draaien met verzoeken om gratie en herziening. Ook blijkt dat Mie tijdens haar gevangenschap hard werkte en, op een enkel incident na, nooit voor opschudding zorgde.
Voor wie geïnteresseerd is in de persoon van Mie is dat waardevolle informatie. Een aantal jaren geleden waren er plannen voor een speelfilm over Goeie Mie. Om het scenario te kunnen schrijven, was het van belang een helder beeld van Mie en haar handelwijze te krijgen. Wat voor mens was zij? Wat waren haar motieven? Was ze een slachtoffer van de sociaaleconomische omstandigheden, een meedogenloze crimineel of een psychiatrische patiënt? En hoe was het mogelijk dat zij zoveel sl achtoffers kon maken zonder dat het opviel?
Volgens de overlevering was Goeie Mie een vrouw uit de arbeidersbuurt die begrafenisverzekeringen afsloot op tientallen familieleden en buren, dezen vervolgens ombracht door wat arsenicum door hun eten of drinken te roeren en dan de begrafenisgelden opstreek. In het boekje van de hand van W.K. van Leyden, gepubliceerd in 1935, werd geldzucht opgevoerd als het hoofdmotief; het kon allemaal gebeuren door gebrekkig optreden van politie, nonchalance van de doctoren, de manier waarop het verzekeringswezen was georganiseerd en de verkrijgbaarheid van arsenicum. De auteur baseert zich op de resultaten van het gerechtelijk onderzoek (de akte van beschuldiging, het verslag van het proces, de geneeskundige rapporten, de verhoren en de briefwisseling). Mogelijk heeft hij gesproken met mensen die bij de zaak betrokken waren (er zit vijftig jaar tussen de veroordeling en de publicatie van het boekje); hij doet in ieder geval een aantal uitspraken over haar werkwijze waarover de bronnen die nu beschikbaar zijn geen informatie geven. Bijvoorbeeld over de gang van zaken bij de verzekeringen: ‘Meestal verzon zij wel een uitvoerig philantropisch verhaal: dat zij de premie voor de familie, die te arm was om zich te verzekeren, wel zou betalen.’ Volgens hem heeft Mie 102 personen vergiftigd, waarvan er 27 zijn overleden. Zijn veronderstelling dat Mie ook haar ouders en haar eerste kinderen heeft vergiftigd, leidt een hardnekkig bestaan, maar is door het werk van Ingrid Moerman achterhaald. De kinderen van Mie zijn vermoedelijk aan cholera overleden; de vader van Mie is zonder voorafgaande ziekteverschijnselen op straat bij de Hooglandse kerk in elkaar gezakt.
Bij nader onderzoek voor de film bleek echter dat op lang niet alle slachtoffers verzekeringen waren afgesloten; geldzucht kon dus niet het enige motief zijn. Barmhartigheid? Meende Mie anderen een dienst te bewijzen door hun bestaan op aarde te bekorten? In 2001 publiceerde Ingrid Moerman een boekje over Mie, in de serie ‘Leidse Verhalen’. De titel ‘Gif als goede gave’ suggereert een dergelijk motief, maar dit wordt verder niet uitgewerkt. Het lijkt niet erg aannemelijk: de meeste slachtoffers konden met recht ‘gezond maar arm’ genoemd worden en hun ondraaglijk lijden werd pas veroorzaakt door het ingrijpen van Mie.
Om van Mie een round character te maken, en de gang van zaken in een 19de eeuwse Leidse arbeidersbuurt inzichtelijk en geloofwaardig, moest er dus opnieuw onderzoek gedaan worden naar de figuur van Goeie Mie. Het onderzoek ging vooral over de vraag hoe Mie van een weldoenster kon veranderen in een gifmengster, en hoe het mogelijk was dat haar activiteiten niet waren opgevallen. Werd ze echt Goeie Mie genoemd of was dat een cynische grap van na de arrestatie? En als zij de uitkering van de verzekering voor de begrafenis kreeg, betaalde ze die dan ook? En als ze dat niet deed, wie betaalde hem dan wel? Waarom hadden artsen zolang niets in de gaten? Terwijl de persoon van Mie langzaam aan contouren kreeg, werd ook duidelijk hoe het beeld van de hardvochtige, koude moordenares was ontstaan.
Vragen over de jeugd van Mie en haar leven voor de arrestatie konden worden beantwoord door een rapport van de Commissaris van Politie, die op verzoek van de procureur Bijleveld een aantal bekenden van Mie gevraagd heeft naar haar jeugd en karakter; over Mie’s karakter en drijfveren kunnen we ook iets leren uit de twee medische rapporten die er over haar zijn: een onderzoek naar de gemoedstoestand door de artsen Daniels en Donkersloot, te vinden in de akte van beschuldiging; en een psychiatrisch onderzoek door dr. Ramaer (op dat moment inspecteur van het Krankzinnigenwezen), voorgelezen tijdens het proces en te vinden in het verslag daarvan. De verhoren van buurtgenoten, bekenden en familieleden leverden een schat van informatie op over hoe de mensen in de buurt van Mie met elkaar omgingen. De correspondentie tussen de officier van justitie in Den Haag en de commissaris van politie gaf informatie over de voortgang van het gerechtelijk onderzoek. De berichtgeving in de kranten weerspiegelt vooral de commotie in de stad Leiden. Al deze bronnen zijn logischerwijze ontstaan tussen de arrestatie van Mie in december 1883 en haar veroordeling in 1885, toen de zaak een sensatie was. Dat er ten slotte ook nog stukken tevoorschijn kwamen die informatie gaven over hoe Mie zich na haar veroordeling had ontwikkeld, was dus een welkome verrassing. Zou haar gedrag na veroordeling nieuw licht kunnen werpen op de motieven voor haar daden? Vertoonde ze in de gevangenis nog tekenen van geldzucht of moordlust? Of vertoonde ze berouw en schuldbewustzijn? Zo werd het onderzoek naar Mie ten behoeve van de speelfilm onbedoeld een onderzoek naar beeldvorming.
De ontmaskering van Goeie Mie
In december 1883 overlijden in de Groenesteeg binnen enkele dagen Maria van der Linden, de vrouw van Hendrik Frankhuizen, en haar zoontje van acht maanden. Ook Frankhuizen zelf is ernstig ziek. Een arts (J. L. A. Desertine) vermoedt vergiftiging en een onderzoek wordt ingesteld. Buurtbewoners worden verhoord. Op de lijst van op te roepen mogelijke getuigen staat ook Mie van der Linden-Swanenburg. Zij is getrouwd met de broer van Maria en kwam er – sporadisch – over de vloer. De onderbuurvrouw van de Frankhuizens heeft Mie wel in het huis gehoord, maar weet niet of zij boven geweest is. Mie zelf verklaart op vrijdag 14 december tijdens het verhoor – dan nog als getuige – dat ze inderdaad aan de deur is geweest om een boodschap over te brengen, maar dat ze de familie niet thuis trof.
De volgende dag meldt Izak Ouwerkerk zich bij de politie. Hij is een aangetrouwde neef (oomzegger) van Hannes, de man van Mie. Hij verklaart dat de omstandigheden waaronder de familie Frankhuizen is overleden hem zeer bevreemden, ‘temeer daar in de laatste 4 jaren verscheidene familieleden onder dezelfde ziekteverschijnselen zijn overleden. In al die gezinnen kwam Mie van der Linden over de vloer en behandelde zoo ik vernomen heb dien belangen altijd wat betreft uitkeeringsgelden van overlijden.‘
Daarop wordt huiszoeking bij Mie gedaan, onder meer door politieagent Pieter Schreuder, bijgenaamd Bismarck. Mie blijkt het inschrijvingsbiljet voor het begrafenisfonds van het jongste kind van Frankhuizen, dat de dag daarvoor was overleden, in papier gewikkeld bij zich te dragen en in huis worden diverse bewijzen van deelname aan begrafenisfondsen, zogenaamde fondsboekjes, gevonden. Mie wordt opnieuw verhoord en bekent peper in de pap van Frankhuizen gegooid te hebben; een dag later zegt ze dat het chloor was.
Nadat bij het gezin Frankhuizen inderdaad vergiftiging is vastgesteld (in het Anatomisch Kabinet van de Universiteit van Leiden door professoren Teunis Zaaijer en Eduard van der Burg), herinneren velen zich ziekte- en sterfgevallen met vergelijkbare symptomen na iets van Mie gekregen te hebben. Het begint met Izak Ouwerkerk, die triomfantelijk constateert dat zijn vermoedens terecht waren en het eindigt met Maria Melet, die zich herinnert dat vijftien jaar eerder Mie over haar stiefvader, die een kwade dronk had, zei: ‘die vent moest je vergeven.‘ Het is niet bekend of Mie veel van haar eigen – ook drinkende – vader te verduren heeft gehad, maar de afloop van het verhaal kennende, is deze opmerking wel bepaald omineus te noemen. Mie zou voor drie zaken worden vervolgd, te weten het gezin Frankhuizen, haar neef Arend de Hees en haar buurmeisje Suzanna Aben.

Afgaande op het onderzoek zou Maria Mark, overleden in 1879, het eerste verdachte sterfgeval zijn en haar man, Lambertus van der Linden (de oudste broer van Hannes), overleden in 1881, het tweede. Dit betreft de schoonouders van Izak Ouwerkerk, die dus vier jaar zijn wantrouwen voor zich heeft gehouden.
Ook in 1881 sterven de oudste zus van Hannes, de weduwe De Hees, en haar twee zoons Arend en Willem met de verdachte symptomen. In 1882 overlijden de vrouw van een neef van Hannes, en vader en zoon Fuchs, die bij Mie in de kost waren. In de eerste helft van 1883 overlijden Mie’s eigen zus Petronella en haar man Johannes Lepelaar. Aan het einde van dat jaar lijkt Mie van geen ophouden meer te weten: in november brengt ze haar buurman Matthijs de Koning op de fabriek aardappelen en bokking, die hem ziek maken. Op 22 november overlijdt Catharina Aben (dertien maanden oud) en op 1 december Suzanna (vijf jaar oud).
Verschillende mensen die op rouwvisite bij het echtpaar Aben waren toen Suzanna boven aarde stond, melden dat zij ziek geworden waren van de koffie die geschonken werd: het hete water voor de koffie was door Mie bij het water- en vuurvrouwtje in de Singelstraat gehaald. Begin december brengt Hannes bij Pieter de Hees, op dat moment militair, een broodje worst, dat hij doorverkoopt aan zijn maat die daar ernstig ziek van wordt. Op 4 december wordt het gezin Hamerling, kennissen van Mie, ziek van zowel koffie als erwtensoep. Mie is bij het koffiewater in de buurt geweest en bij de erwten toen die stonden te weken. Met de familie Frankhuizen komt er op 7 december een einde aan de lange lijst, al laat Mie zelfs in het Huis van Bewaring te ‘s-Gravenhage, waar ze haar berechting afwacht, zich nog een keer van haar slechte kant zien. Als Hannes bij Mie op bezoek is geweest, zegt een medegevangene tegen Mie dat hij ‘een knap man was en, dat zij als zij uit de gevangenis komt, bij hem zou komen huishouden‘. Mie had geprobeerd loodwit van een spiegel te krabben en dat in de koffie van deze vrouw te doen.
Blijkbaar om te voorkomen dat iets dergelijks nog eens zou gebeuren, vermelden de notulen van de Raad van Administratie van dat Huis van Bewaring ‘dat er voor huisdienstwerk en ter bewaking van de preventief gedetineerde vrouw Zwanenburg een tot een jaar veroordeelde vrouw gezocht moet worden‘.
Hoe goed was Goeie Mie?
Izak Ouwerkerk levert indirect het bewijs dat Mie tot haar ontmaskering volledig vertrouwd werd. Op 22 december publiceert het Leidsch Dagblad een ingezonden brief van zijn hand. Ouwerkerk zwaait de betrokken politie en de arts alle lof toe, ‘maar daar ik, ondergeteekende, de man ben die al het vermoeden onder het publiek bekend heb gemaakt vóórdat er van vergift gesproken was, heb ik vriendelijk verzocht deze regelen te plaatsen‘. De krant doet navraag en meldt dat Ouwerkerk zijn vermoeden met een enkeling had gedeeld, maar dat hij niet naar de politie had durven gaan uit angst voor de reactie van zijn familie als zijn vermoeden ongegrond zou blijken. Blijkbaar zag hij zijn twijfels bij niemand bevestigd.
Dat Mie niet verdacht werd van enig kwaad blijkt nog eens uit de reactie van de inspecteurs van politie Pronk en Grefe. Ook zij sturen een brief naar de krant, omdat ze vinden dat de eer van het corps is aangetast. Niet alleen was Mie als verdachte aangemerkt al vóórdat Ouwerkerk zich meldde, maar ook is zonneklaar dat hij pas na de aanhouding van Mie zijn vermoedens heeft geuit, immers: ‘had hij dit vroeger aan derden gedaan, de geheele buurt waar het drama speelt, zou het ons hebben toegeroepen; integendeel, niemand wilde iets ten nadeele van de verdachte vrouw hooren; men prees haar ten zeerste als een brave vrouw.’
Uit de tientallen verhoren die in de weken die volgden op haar arrestatie hebben plaatsgevonden, vallen maar een paar kritische opmerkingen te destilleren. Zo vertelt Elias Vogelenzang, die in 1881 was gevraagd mee te waken bij de zieke ex-militair Arend de Hees, dat Mie tijdens de doodstrijd van haar neef Aart ‘bleef zitten waar ze zat en slechts riep: “Het zal wel beteren“, ofschoon ze tegen ons zei “Het zal wel aflopen. “‘ Maar hij meldt ook dat Mie zodanig van streek was door het overlijden van Arend dat ze zelfs verhuisde. Mie’s eigen zus, die niet veel met haar omging omdat ze het druk had met haar winkeltje, verklaarde ‘dat zij altijd zeer haastig gebakerd was, want als zij bij mij kocht en niet snel genoeg geholpen werd, liep zij heen‘.
Het beeld dat politiecommissaris Van der Maaren krijgt als hij navraag doet over Mie is echter zeer positief: ze heeft ‘een goedaardig karakter, is niet twistziek en zelfs goedgeefsch. Voorkomend als zij tegenover een ieder was wist zij zich dus toegang bij iedereen te verschaffen niet alleen bij haar familieleden maar ook bij mensen geheel en al aan haar vreemd. Iedereen mocht haar dan ook lijden en menige huismoeder zag haar gaarne verschijnen met de wetenschap dat zij voor ieder welwillend het een of ander deed hetgeen dan ook voor mensen uit dien stand heel wat waarde heeft.‘ Haar jeugd was echter, in de woorden van een oude bekende uit de Zijlstraat: ‘armoedig, erg‘. Vader was aan de drank, het gezin werd uit huis gezet vanwege huurschuld, de meisjes hadden maar één stel kleren dat op zaterdag uit moest zodat het op zondag weer schoon en droog aangetrokken kon worden. Het gaat Mie echter goed vanaf het moment dat ze in 1868 met Hannes van der Linden trouwt. Ze is dan 29 jaar oud. Het zag er ‘tamelijk wel in hare huishouding uit en zij deed haar best zoals een vrouw uit dien stand doen kan‘. Verder is er tegenstrijdige informatie over de rol die drank speelde in het drama. Van der Maaren stelt: ‘Vier of vijf jaren voor hare inhechtenisneming verslaafde zij zich aan de drank althans werd opgemerkt dat ze zelfs ’s morgens reeds drank gebruikt had. Van toen af liep ook de huishouding in de war welke zij verwaarloosde. Somtijds vond de man bij zijne tehuiskomst geen eten klaar, in een woord alles vervuilde.‘ Aan professor Zaaijer, de anatoom die aangeeft iets te willen publiceren over Mie, schrijft Van der Maaren: ‘Zij verwaarloosde hare huishouding om anderen ter wille te zijn.‘ Maar geen twijfel meer aan haar goede naam: ‘Haar opvoeding is geweest als die van iemand uit de heffe des volks, haar karakter oogenschijnlijk zeer goedaardig, getuige dat men haar in de buurt goede Mie noemde.‘
In de getuigenverhoren wordt echter niets gezegd over een ongeregeld huishouden bij Mie; zelf voert ze alcoholgebruik op als reden voor de sufheid waardoor ze vergif in andermans eten gooide, maar desgevraagd ontkennen de getuigen dit ten stelligste. Ze dronk in ieder geval wel incidenteel: na haar eerste verhoor als getuige staat ze ’s avonds laat beschonken buiten.
Goeie Mie in de publiciteit
Het Leidsch Dagblad doet op 19 december voor het eerst verslag van de gebeurtenissen. De krant meldt dat de dag daarvoor velen zich op de Breestraat en de Beestenmarkt hadden geposteerd in de verwachting dat Mie langs die route naar het Huis van Bewaring in Den Haag zou worden overgebracht. De menigte had volgens de krant ‘geen lieve bedoelingen tegenover de misdadigster.’ Aan de schuld van Mie wordt niet getwijfeld, maar haar man Hannes wordt gespaard: ‘Haar man schijnt er geheel onschuldig aan te zijn, daar hij uit de voorloopige politie-bewaring is ontslagen.‘ In maart 1885 verschijnt de ‘Akte van beschuldiging’ als bijlage bij de Leidsche Courant. Dit is een door het Openbaar Ministerie opgesteld verslag van de feiten en de uitkomsten van het gerechtelijk onderzoek. Hierin staan de toedracht van de drie vergiftigingszaken en de uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek. Ook wordt geciteerd uit getuigenverklaringen en uit het verhoor van Mie. Het zal niet verboden geweest zijn een dergelijk stuk te publiceren – althans, er is geen enkele reactie op gevonden — maar het betekent dat nog vóór de rechter de bewijzen heeft aanvaard en uitspraak heeft gedaan de zaak op straat ligt. Uit de informatie blijkt hoe gruwelijk het overlijden aan arsenicumvergiftiging moet zijn en daarnaast worden van Mie talloze harteloze uitspraken geciteerd. De uitspraken over Suzanna Aben laten zien hoe Mie voorwendde mee te leven. Ze zegt tegen het gestorven kind: ‘Wat ben ik blijde dat ik je vandaag zoo goed heb gedaan.’ Ze weigert een dokter voor Suzanna te halen, omdat ze ’te naar was van het kind’ en later omdat ze ‘geen dokter wist te wonen’. Als Frankhuizens moeder meldt dat de dokter heeft geopperd dat er van vergiftiging sprake is, zegt Mie ‘dat die vent altijd kletste over zijn vergiften, dat men haast een hekel aan hem zou krijgen, dat men bang voor hem zou worden‘. Tegen de onderbuurvrouw van de familie Frankhuizen, die er na het overlijden van moeder en kind tegenop zag in een huis met twee lijken te zijn, zegt ze: ‘Zoo, ben je daar zoo bang voor? Ik ben er niets bang voor. Wil ik naar Frankhuizens zuster gaan en vragen of zij er temet nog een paartje voor je bij heeft? Nou, ik zal je toch niet alleen laten; ik kom straks terug en dan zal ik eens een kopje koffie voor je zetten.‘ De uitspraak over het echtpaar Frankhuizen ‘Het is om te lachen, ze liggen saam te braken en spuwen elkaar haast in de keel‘ is terug te vinden in het verhoor van Ouwerkerk. De andere uitspraken zijn niet terug te vinden zijn in de getuigenverhoren die in december 1883 werden gehouden.
Men moet toch vreemd hebben opgekeken van dergelijke uitspraken van de vrouw in wie men zoveel vertrouwen had. Zeggen deze uitspraken iets over Mie, of meer over de ‘hype’ die de zaak geworden was? Er zijn twee mogelijkheden: of de uitspraken zijn zo niet gedaan en een overtrokken weergave van wat er gezegd is; of Mie heeft inderdaad uitspraken gedaan die voor ons moeilijk te rijmen zijn met haar imago. Voor de eerste verklaring is één aanwijzing: een week na de arrestatie meldde zich buurtgenoot Matthijs de Koning, met de volgende verklaring: ‘Toen zij nu juist acht dagen geleden des avonds van het politiebureau was gekomen stond ze te half twaalf ure nog in hare woning en verkeerde onder de invloed van sterke drank. Zij vertelde toen in bijzijn van twee buurvrouwen, vrouw van der Berg en vrouw van der Linden [geen familie, IvdS] dat zij in het politiebureau was geweest, dat zij eene rechtvaardige zaak voor had en dat zij voor de vrouw van Frankhuizen overleed deze nog hoorde zeggen: “11 rijksdaalders en mijn goud liggen onder mijn legerstee”, dat zij dit horende daarnaar greep doch dat Frankhuizen haar voor was en een en ander vond.’
Voorzichtig concludeert hij: ‘Die gezegdens in abnormale toestand door haar gesproken maakten op mij de indruk alsof zij zich had willen verrijken ten nadeel van haar zwager Frankhuizen.‘ De twee buurvrouwen bevestigen desgevraagd wel dat Mie een glaasje te veel op had, ‘zodat zij alles door elkaar rammelde‘, maar zij hebben de opmerking over het geld en goud niet gehoord. In de akte van beschuldiging staat dat Matthijs de Koning heeft verklaard ‘dat ten zijne aanhooren werd medegedeeld dat vrouw Frankhuizen kort voor haar dood zeide dat er elf rijksdaalders en haar goud onder haar legerstede lagen, dat zij, beschuldigde daarnaar had willen grijpen, maar dat Frankhuizen, die half doode man, er als de duivel naar greep en haar vóór was, dat het echter nu hetzelfde was, want dat zij toch alles aan Frankhuizen zou moeten teruggeven nu de moeder voor het kind gestorven was; dat het anders zou zijn als het kind eerst gestorven was, want dat dan alles naar de Van der Lindens zou zijn gegaan.’ In de akte staat ook dat Mie in datzelfde gesprek heeft gezegd ‘dat zij wel tussen vier lijken zou willen liggen‘. In het verhoor staat deze uitspraak niet. Er is vooralsnog geen logische verklaring voor de verschillen tussen beide weergaven.
Als Mie wel juist is geciteerd dan doen dergelijke uitspraken toch vermoeden dat ze in een toestand van psychische verwardheid van wat voor aard dan ook verkeerde. Dat zou wel passen bij het feit dat ze in de weken voor haar arrestatie de een na de ander probeerde te vergiftigen.

Het verslag van het proces verschijnt in april 1885 weer als bijlage bij de Leidsche Courant. Dit lazen de abonnees: ‘Bij het intreden der gifmengster [IvdS; Mie is formeel nog steeds ‘beklaagde’] […] ging er een gesmoorde kreet van afgrijzen op uit het publiek.‘ Men komt om de gifmengster te zien. De verslaggever noteert dat de minister van Justitie ‘met zijne dames’ op de tribune heeft plaatsgenomen, evenals de Amerikaanse gezant: men wilde er blijkbaar bij geweest zijn. De president van de rechtbank steekt zijn afschuw niet onder stoelen of banken. Bij het verhoor van de eerste getuige, Pieter de Hees, vraagt hij Mie of zij haar neef inderdaad de uitkering van het begrafenisfonds heeft gegeven om zijn broer te kunnen begraven. Mie antwoordt: ‘Edelachtbare, ik heb hem al het noodige gegeven‘ waarop de president reageert: ‘Laat dat Edelachtbare maar weg, en het nodige heb je hem zeker gegeven.‘ De verslaggever lijkt alleen de belastende verklaringen van getuigen te citeren, bijvoorbeeld die van Abraham Beij: ‘Er was na de dood nooit rouw in het huis, maar men vierde feest, at en dronk jenever, zij en haar man.‘ Getuigen die ten gunste van Mie pleiten worden niet genoemd – het is de vraag of die er waren.
Voor de aanklager ligt de zaak als volgt: de vergiftiging is viermaal bewezen door de patholoog-anatoom, Mie wist wat ze deed en ze heeft bekend dat het haar bij het gezin Frankhuizen om geldelijk gewin ging. Van een motief voor de moord op Arend de Hees en Suzanne Aben rept hij niet; wel wijst hij op het gevaar van de begrafenisfondsen, zo toch de suggestie wekkend dat geld steeds het motief is geweest. Van dronkenschap is geen sprake geweest. Mie is ‘een wezen dat den naam van mensch onwaardig is‘ en alles wat ze ooit beter heeft geleken dan dat, is schijn en bedrog.
De advocaat van Mie, C. A. Vaillant, begint zijn pleidooi met de stelling ‘dat nooit grooter onmensch op de bank der beschuldiging heeft gezeten‘. Na niet erg overtuigende pogingen twijfel te zaaien over de bewijzen van vergiftiging verandert hij van strategie en stelt dat zij niet alleen de vier moorden heeft gepleegd waar zij nu van beschuldigd wordt, maar dat zij 23 slachtoffers heeft gemaakt en nog eens 42 anderen ziek heeft gemaakt met vergif. Volgens hem is zij wel ziek en is er sprake van ‘een zeker welgevallen‘ bij het doden. Als motief ziet hij ‘jaloezie, daar wrok, ginds belang; soms bestond er zelfs geen enkele reden‘. Hij heeft dus wel opgemerkt dat het motief van de begrafenisfondsen geen afdoende verklaring vormt, maar doet geen verdere pogingen Mie serieus te verdedigen. Mie wordt veroordeeld tot levenslange tuchthuisstraf. Op grond van deze gegevens is het aannemelijk dat het beeld van de harteloze Mie, die met plezier doodde en het geld van de begrafenisverzekeringen opstreek, voortkomt uit de manier waarop het proces is verlopen en de manier waarop de publicaties daarover in de pers verschenen.
Mie volgens deskundigen
Bij de akte van beschuldiging is een medisch rapport gevoegd door de artsen Daniels en Donkersloot. In hun ogen is Mie in het volle bezit van hare verstandelijke vermogens, is ze alleen erg onsympathiek: ze gaat met de waarheid om ‘alsof die niet bestaat’, ze toont zich heel berekenend in haar pogingen de schuld op anderen te schuiven, ze is bewust breedsprakig om haar ondervragers te vermoeien en ze toont zich hardvochtig.
Het rapport van Ramaer, voorgelezen tijdens het proces, is genuanceerder. Ook hij concludeert dat Mie niet lijdt aan ‘verstoring van haar geestvermogens‘. Wel ziet hij ‘dat haar nervositeit wel haar zwakheid van karakter verergerde en haar godsdienstig gevoel niet voldoende ontwikkeld was om weerstand te kunnen bieden aan haar zwakheid‘. Het idee dat Mie een ziekelijke drijfveer om te doden zou hebben, noemt hij ‘louter schijn‘ – dat ondanks de poging een medegevangene te vergiftigen in het Huis van Bewaring in Den Haag. Als enige heeft hij oog voor de maatschappelijk context, want, stelt hij, ‘de straffeloosheid, die op haar eerste misdaden volgde, versterkte haar in haar zwakheid om strafbare daden te bedrijven‘. Met andere woorden: er is geen innerlijk drang tot moorden, maar er waren omstandigheden die deze handelwijze mogelijk maakten en beloonden, en Mie had niet genoeg moreel besef om zelfde grens te stellen. Ook constateert hij – ook nogal breedsprakig – dat Mie een zeer nauwkeurig geheugen heeft, ‘met name omtrent het verledene.’ Hij duidt vermoedelijk op het vermogen van Mie om te onthouden wat er gezegd en gedaan is. Mie’s goede geheugen blijkt ook wel uit het feit dat ze als ongeletterde vrouw het overzicht kon houden over de verschillende begrafenisfondsen waar ze voor betaalde. In geen van beide rapporten wordt er gerept over de sufheid en het gebruik van alcohol die Mie zelf als verklaring geeft en die ook door politiecommissaris Van der Maaren genoemd worden. Volgens de akte van beschuldiging heeft zij ‘in een later verhoor’ over de moord op Suzanna Aben gezegd dat zij ‘na hare vroegere handelingen meer en meer aan den drank geraakt was en dikwijls niet meer had geweten wat zij deed‘. Tijdens de rechtszitting verklaart zij opnieuw dat zij beschonken was toen zij het kindje Aben vergif gaf, en dat zij ook dronken was toen zij het gif in de pap van Frankenhuizen strooide. Maar degenen die haar gezien hebben, getuigen dat Mie niet dronken was toen zij bij het gezin Frankhuizen naar binnen ging. Matthijs de Koning en de twee buurvrouwen hebben haar op de avond na het verhoor wel dronken gezien. Als er sprake was van ontoerekeningsvatbaarheid door alcoholgebruik dan zou dat door artsen moeten zijn opgemerkt. Dat is niet het geval. In de medische verklaring van Donkersloot en Daniels wordt expliciet ontkend dat Mie onder invloed gehandeld zou hebben en in het rapport van psychiater Ramaer komt het niet ter sprake.
Om het geld van het begrafenisfonds?
Volgens de overlevering vergiftigde Mie haar slachtoffers om een uitkering van de begrafenisfondsen te krijgen. Dat roept echter een paar praktische vragen op. In hoeverre klopt dit beeld?
Dankzij de hint van Izak Ouwerkerk en het feit dat Mie een inschrijvingsbiljet voor de kleine Hendrik Frankhuizen bij zich heeft, zijn de begrafenisfondsen meteen vanaf het begin onderwerp van aandacht. Mie blijkt contacten te onderhouden met bodes van vier verschillende fondsen. De fondsbodes verklaren dat zij premies betaalde voor haar eigen gezin (drie keer), haar vader en moeder (drie keer, tot hun overlijden), de familie De Hees (vader, moeder en hun zoon Arend tot hun overlijden; Pieter, de enige van het gezin De Hees die op dat moment nog in leven is, staat bij twee fondsen genoteerd), haar nichtje Johanna Maria van der Linden en de familie Frankhuizen. Gelegd naast de hierboven opgesomde verdachte sterfgevallen en vermoedelijke pogingen tot vergiftiging blijkt dat er dus meer personen werden vergiftigd dan er door Mie verzekerd waren.
Mie heeft in het vooronderzoek bekend in 1881 Arend de Hees vergiftigd te hebben om de begrafenisgelden. Dat zij het geld kreeg, was geen reden tot wantrouwen, zo blijkt: Arend was door Mie tweemaal verzekerd: bij ‘De Voorzorg’, die in totaal ƒ 104 uitkeerde, en bij ‘De Waarborg’, die ƒ 45 uitkeerde. Mie zegt van het geld de begrafenis te hebben betaald, een nog openstaande schuld van Arend van ƒ 18 te hebben vereffend en ondergoed voor de broer van Arend, Pieter, te hebben betaald. Pieter ontkent alleen het laatste. Bode Onderwater van ‘De Voorzorg’ verklaart dat Mie de contributie voor de weduwe De Hees en haar drie zonen Aart, Willem en Pieter betaalde. Toen de moeder in mei 1881 overleed, werd de verzekeringssom uitbetaald aan de oudste zoon Arend. Toen deze in juli 1881 overleed, ging de uitkering wel naar Mie, en ook kreeg zij het geld voor de begrafenis van Willem, die in november 1881 overleed. Willem was dubbel verzekerd. Arend driedubbel, zodat Mie in totaal ruim ƒ 200 ontvangen zal hebben. Na aftrek van de begrafeniskosten zal er ongeveer ƒ 100 zijn overgeschoten.
Er is geen enkele aanwijzing dat de fondsbode of iemand anders over deze gang van zaken ook maar een wenkbrauw heeft opgetrokken. Nadien doet Mie nog tweemaal een poging om Pieter te vergiftigen. Frankhuizen verklaart dat hij en zijn vrouw verzekerd zijn bij Onderwater in het fonds ‘De Voorzorg’. ‘De contributie betaalde vrouw van der Linden, doch kreeg zij dat geld van mijn vrouw om de 2 a 3 weken terug‘, verklaart hij. Mie betaalde dus de verzekering, maar met hun medeweten. Van een extra verzekering voor het kind weet hij niets en zijn vrouw heeft hem daarover ook niets gezegd. Mie heeft hem en zijn vrouw echter ook verzekerd bij Steyger (fonds ‘De Nederlanden’). Bij dat laatste fonds had Mie ook het kind willen laten inschrijven, maar dat was nog niet gebeurd. In het procesverslag staat dat vrouw Frankhuizen de verzekering bij Steyger en diens opvolger Van der Worm in mei 1883 wilde beëindigen, maar dat Mie er toen zelf mee is doorgegaan.
Frankhuizen was dus dubbel verzekerd: bij Onderwater om de begrafenis te betalen, en bij Steyger/Van der Worm voor Mie zelf. In het rekest zal Mie nog uitgebreid op de gang van zaken ingaan. Overigens bleek Frankhuizen ook nog eens door zijn moeder bij Onderwater verzekerd te zijn. Suzanna Aben was niet door Mie verzekerd. Zij en haar eerder overleden zusje waren wel dubbel verzekerd door hun ouders, waardoor die uiteindelijk ƒ 85 ‘vrij geld’ overhouden.
Mie lijkt het meeste geld overgehouden te hebben aan de dood van haar ouders, maar er zijn geen aanwijzingen dat zij hun dood bespoedigd heeft. Haar moeder overleed in januari 1882, vader in juni van datzelfde jaar, beiden 72 jaar oud. Ze had verschillende verzekeringen op hen afgesloten. Ten eerste bij ‘De Waarborg’, die voor beiden ƒ 50 uitkeerde, waarmee de begrafenissen betaald werden. Die werden echter verzorgd door Van Aalderen, die zelf fondsbode voor Pietas was. En Mie heeft haar ouders ook bij Pietas verzekerd. Ze vroeg hem het geld aan haar uit te keren (De Waarborg betaalt immers de begrafenis), maar daarover niet met haar familie te spreken. Van Aalderen keerde inderdaad ƒ 100 uit. Maar ook Onderwater keerde voor vader en moeder ieder nog eens ƒ 46,75 uit. Mie hield er waarschijnlijk ƒ 200 aan over.
Mie betaalde wel premie voor haar nichtje Johanna Maria van der Linden (haar zus was met Izak Ouwerkerk getrouwd). Dat nichtje getuigde dat haar ouders aan verschijnselen van vergiftiging zijn overleden en dat tante Van der Linden inderdaad de begrafenis heeft geregeld en de overblijvende kinderen respectievelijk ƒ 12, ƒ 8 en ƒ 16 heeft gegeven. Als een paar weken later een broer ook overlijdt (588935), regelt tante de begrafenis weer, maar nu schiet er niets over, want ‘mijn tante had voor eigen risico de contributie betaald, zoo zeide zij’. Zij wist niet of haar broer in meer dan één begrafenisfonds was. Het is de vraag of ze wist dat haar tante ook voor haar premie betaalde bij Onderwater. De fondsbodes meldden hierover geen bijzonderheden.
Bij haar schoonzuster Maria Mark (de moeder van Johanna Maria van der Linden en waarschijnlijk overleden aan vergiftiging), de familie De Koning (naaste buren) en de familie Hamerling is er geen sprake van een door Mie afgesloten begrafenisverzekering, zo blijkt uit de verhoren van de getuigen en van de fondsbodes – terwijl Mie wel gepoogd heeft De Koning en Hamerling te vergiftigen. De zus van Mie, Petronella Lepelaar-Swanenburg, en haar man en kind overlijden in mei 1883 ook onder verdachte omstandigheden, maar waren niet door Mie verzekerd. Hamerling heeft zelf drie verzekeringen op zijn gezin (vrouw en drie kinderen) afgesloten. Zij hebben dat Mie wel verteld, ‘maar de polissen zijn in ons bezit‘. Na de dood van Suzanna Aben had Mie hen aangeraden hun kinderen ook dubbel te verzekeren, en dat waren ze ook van plan, het was er echter nog niet van gekomen.
Het zal zeker waar zijn dat de Leidse arbeider in een fonds was om een nette begrafenis te krijgen, maar het was ook niet ongewoon een verzekering extra af te sluiten als appeltje voor de dorst. De bevolking van Leiden lijkt hiermee niet uitzonderlijk te zijn geweest. In de jaren ’80 van de 19de eeuw zijn er verschillende onderzoeken geweest naar het functioneren van de begrafenisfondsen, al voordat de praktijken van Mie aan het licht kwamen. In 1882 verschijnt een Verslag van de Commissie voor het onderzoek naar de invloed der begrafenisfondsen op de kindersterfte in Nederland. De conclusie is dat deze invloed noodlottig is voor de ‘benedenjarigen’. Ofwel: ‘arbeiderskinderen kregen nauwelijks geneeskundige hulp… maar wel soms een meervoudige uitkering bij het overlijden.’ Een onderzoek in 1891 van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen signaleert wel misstanden bij de begrafenisfondsen, maar die betreffen de bedrijfsvoering. Dat de begrafenisfondsen de kindersterfte bevorderen, is volgens de onderzoekers niet bewezen, maar zij sluiten het ook niet uit. Volgens de commissie komen verzekeringen van derden uit winstbejag niet dan bij uitzondering voor. Ook was het niet ongebruikelijk dat iemand de premies voor een aantal gezinnen betaalde. Arme mensen betaalden de premie van ongeveer een dubbeltje per persoon wekelijks; de bode kreeg ongeveer 1 cent per polis. Om een burgermansbestaan te kunnen leiden, moest de bode 2.000 leden hebben – hij moest dus nogal wat adressen af eer hij zijn verdiensten bij elkaar had, als iedereen al thuis was en geld in huis had. Mie regelde dat blijkbaar voor een aantal familieleden, met en zonder hun medeweten, en voor de bodes was dat een voordeel. De bodes Steyger en Van der Worm verklaren dat volgens voorschriften van ‘De Nederlanden’ uitkeringen bij voorkeur gedaan werden aan degene die houder was van het lidmaatschap en de contributie had betaald. Steyger verklaart daarbij dat hij geen overlijdensakte verlangt: de ‘grafkwitantie’ is voor zijn maatschappij voldoende bewijs. Maar om geen slechte naam in de wijk te krijgen keerden fondsen ook uit als er geen rekening van de begrafenis of een overlijdensakte was. De commissie vroeg zich zelfs af wat er eigenlijk op dubbele verzekeringen tegen is. Om aan leden te komen deden dus zowel fondsen als bodes in de praktijk niet moeilijk over verzekeringen die door derden werden afgesloten, al was de norm dat alleen bloedverwanten verzekerd konden worden.
In totaal zou Mie voor haar ouders en de familie De Hees samen ruim ƒ 300 geïncasseerd hebben. Een gemiddelde arbeider verdiende tussen de ƒ 6 à ƒ 10 per week. Er zou dus een klein jaarsalaris extra binnen gekomen zijn. Er zijn echter geen aanwijzingen dat het gezin op grote voet leefde. Integendeel: Mie leende geld en kocht op de pof: zij zelf noemt ƒ 7 die vrouw Frankhuizen aan haar geleend zou hebben; een marktkoopman vertelt in 1883 dat Mie in de twee jaar dat zij bij hem koopt, altijd goederen op krediet haalt: ‘Dan eens was het gekochte bedrag 20 gulden, dan weder meer. Het laatst was zulks 30 gulden, waarvan zij nog 28 schuldig is.‘ Een aangetrouwde nicht, in 1882 overleden nadat Mie haar medicijn tegen de zenuwen heeft toegediend, had volgens haar dochter nog ƒ 22 van Mie tegoed; geld dat Mie overigens weigerde terug te betalen. Meer schulden dan winsten dus; het is overigens wel denkbaar dat Mie en haar man en de drie kinderen die op dat moment nog in leven zijn niet konden rondkomen van zijn inkomen als sjouwer en haar inkomen als oppas. Er is echter geen melding van een levensstijl die vraagtekens opriep.
Mie heeft dus een aantal moorden gepleegd uit hebzucht. Ze betaalde in die gevallen de begrafenis, maar incasseerde een veelvoud van de kosten. Maar daarmee is niet alles te verklaren, met name de moord op Suzanna Aben (en mogelijk haar zusje daarvoor) niet en nog minder de poging om de rouwvisite, inclusief de geplaagde ouders zelf, te vergiftigen met koffie. Dat laatste lijkt een onbezonnen actie, die haaks staat op de lepe berekeningen met betrekking tot het erfrecht die haar bij de familie Frankhuizen worden toegedicht.
De medische en maatschappelijke zorg
Ramaer stelt het in het psychiatrisch rapport: ‘de straffeloosheid, die op haar eerste misdaden volgde, versterkte haar in haar zwakheid om strafbare daden te bedrijven.‘ Mie zou haar gang hebben kunnen gaan doordat artsen de arbeiderswijken liever meden en de sterfte er altijd heel hoog was. Noch het aantal slachtoffers, noch de verschijnselen waaronder zij overleden zou opmerkelijk geweest zijn.
Hoe was de medische zorg georganiseerd? Arbeiders konden zich via ‘bussen’ of ‘beurzen’, de voorlopers van de ziekenfondsen, verzekeren voor geneeskundige hulp. Artsen en apothekers kregen betaald per patiënt per jaar (in 1842: artsen ƒ 1 tot ƒ 1,20, apothekers ƒ 2 tot ƒ 2,50 per lid), of deze nu hulp had gekregen of niet. Artsen konden meerdere ‘bussen’ bedienen, sommigen bedienden 6.000 patiënten. Er waren misstanden gesignaleerd, maar de overheid nam geen maatregelen. Een factor die maskerend kan hebben gewerkt, was het hoge aantal sterfgevallen in de arbeiderswijken vanwege de ongezonde omstandigheden waaronder men moest wonen en werken. Gewone doodsoorzaken in die tijd waren ziekten van de luchtwegen en infectieziekten die via water of voedsel werden overgebracht zoals dysenterie, diarree en kolieken, die net als arsenicumvergiftiging gepaard gaan met diarree, braken en pijn in de spijsverteringsorganen. Als de buurtgenoten in de verhoren over verdachte ziektegevallen spreken, komt ook het optreden van de artsen aan de orde: Rachel Regeer was op rouwvisite bij Aben toen zij net als iedereen ziek werd van de koffie, maar heeft zich ‘niet onder geneeskundige hulp willen stellen omdat ik bevreesd was naar het ziekenhuis te worden gezonden‘. En als de arts gewaarschuwd wordt, laat zijn optreden te wensen over: een nicht van Hannes overlijdt nadat zij van Mie iets uit een flesje ‘goed voor de zenuwen’ heeft gekregen en zwelt enorm op, maar de arts stelt een overlijdensakte op zonder het lijk te hebben gezien. Als voor Suzanna Aben uiteindelijk dokter Braakenburg wordt gewaarschuwd, weigert hij te komen.
Bij de familie Frankhuizen spelen twee artsen een rol. Bovengenoemde Braakenburg wordt op 11 december bij vrouw Frankhuizen geroepen door Hannes (haar broer en de man van Mie) vanwege braken, diarree en buikpijn. Hij komt niet, ‘wegens ongesteldheid’ zal hij tijdens de rechtszitting verklaren, maar geeft een recept voor een pijnstillende en verzachtende drank. Nadat vrouw Frankhuizen in de nacht van 12 op 13 december is overleden, constateert Braakenburg in de ochtend van 13 december zonder nader onderzoek de dood als gevolg van ‘diarrhee cataralis’ (vermoedelijk uitermate dunne diarree) en ‘paralysis pulmonalis’ (letterlijk ‘longverlamming’) zonder iets verdachts aan het lichaam op te merken. Frankhuizen gaat dan zelf, leunend op zijn moeder, naar een dokter in de Breestraat, Rutgers van der Loeff. Deze vermoedt vergiftiging en wil dat Frankhuizen naar het Academisch Ziekenhuis gaat, maar moet daarvoor ‘de aanvankelijke tegenstand zijner betrekkingen’ overwinnen. Op zaterdagavond 15 december wordt Frankhuizen het Academische Ziekenhuis binnengebracht, waar hij een paar dagen later overlijdt.
Diezelfde Rutgers van der Loeff heeft overigens al eerder naar resultaten van Mie’s praktijken gekeken: het echtpaar Hamerling-van den Burg, bekenden van Mie die hem bezoeken na ziek te zijn geworden van koffie en erwtensoep. De dokter verklaart dat ze vergif moeten hebben binnengekregen en geeft hen een drankje. Rutgers van der Loeff stelt dus wel vrij snel de juiste diagnose, maar verzuimt te onderzoeken om wat voor vergif het gaat. Dokter Braakenburg krijgt voor zijn nonchalance een uitbrander van de president van de rechtbank, die stelt ‘dat men zulke opgaven voor het openbaar gezag niet dan na onderzoek deed, of als men onvoldoende ervaring had, zich onthield‘. Zo ontstond de toestand van straffeloosheid waar Ramaer over spreekt, in een fatale combinatie met de verkrijgbaarheid van zwaar vergif.
Mie kocht het arsenicum gewoon bij de drogist. Wie last had van wandluis vroeg om operment, een mengsel van rattenkruit (arsenicum) en zwavel, dat volgens de regels alleen gemengd met witkalk verkocht mocht worden. Dat mengen gebeurde niet goed, waardoor Mie het poeder van de kalk kon scheppen en zo de beschikking kreeg over het zware gif.
Voor het gerechtelijk onderzoek – dus nadat de praktijken van Mie bekend zijn geworden – kocht een agent van politie zonder enig probleem bij dezelfde drogist als waar Mie kwam, voor 5 cent 50 gram operment, dat zeventig procent arseniczuur bevatte, volgens het gerechtelijk onderzoek ‘genoeg om 100 personen te vergiftigen‘. Er waren wel regels, maar op de naleving ervan werd niet gelet.
Het leven in de gevangenis
Mie zit haar straf uit in de vrouwengevangenis in Gorinchem. In het Rekenboek, waarin verdiensten en uitgaven in de kantine worden bijgehouden, is ze nummer 284. Het vonnis is niet ‘eenzame opsluiting’, dus ze werkt en leeft op een zaal, ‘de zaal van levenslang’. Uit het kasboek blijkt dat ze steeds het meest verdient. Vanaf 1891 krijgt ze gezelschap van een andere tot levenslang veroordeelde vrouw. Grietje Gaaikema, die met arsenicum haar dochter vergiftigd heeft. Deze vrouw houdt zich vanuit de gevangenis nog steeds bezig met bizarre praktijken. Zo heeft zij een predikant twee enveloppen meegegeven, waarvan één bedoeld voor een advocaat in Groningen, die de andere envelop dan zou moeten versturen naar iemand die zij ƒ 10.000 wil afpersen vanwege een valse eed. De strafmaatregel vertelt ons iets over het regime waaronder Mie leefde: in eerste instantie wordt de vrouw gestraft met twee etmalen ‘donkere cel’, waarvan 24 uur op alleen water en brood. Vervolgens wordt zij officieel veroordeeld tot drie maanden cel. Daarbij de notitie dat – omdat het om twee vrouwen gaat die normaal gesproken niet geïsoleerd hoeven te zitten – de straf voor de andere vrouw, Mie dus, nu ook verzwaard is. Het college besluit de minister van Justitie te vragen hoe hier nu mee om te gaan. Het antwoord staat niet in het notulenboek vermeld.
De vrouwen lijken op goede voet met elkaar te hebben gestaan. Bij haar overlijden in mei 1911 laat Mie’s zaalgenoot haar ƒ 25 na; de rest van de erfenis (ƒ 113,30) is voor de onderwijzer van de gevangenis. Het bestuur steekt er een stokje voor: al het geld gaat naar de onderwijzer. Mie houdt zelf ook geld over: in haar laatste levensjaren verzoekt ze vijf keer wat geld aan haar kinderen te mogen zenden. Het gaat om bedragen tussen de ƒ 6 en ƒ 11.
In januari 1912 vermeldt het notulenboek dat nummer 284 ernstig ziek is; ‘de H. Sacramenten der Hervormden [sic] zijn haar reeds toegediend‘. Maar in februari is zij ‘weder veel hersteld van hare ernstige krankheid. De familie is bij haar op bezoek geweest.‘ In maart verzoekt Mie weer ‘in de gewone voeding te mogen komen‘. De geneesheer heeft geen bezwaar, ‘mits zij behoudt 1 liter melk en 2 eieren per dag.‘ Gewone kost, dat was: op zondag vleessoep, maandag en woensdag aardappelen en groente, dinsdag en zaterdag erwtensoep, donderdag bruine bonen en vrijdag gort.
Nog eenmaal doet Mie van zich spreken: in november 1913 wordt zij bestraft wegens belediging van de directrice. Net als hiervoor bij vrouw Gaaikema lijkt het alsof Mie zich door iemand laat meeslepen: een andere gevangene, aangeduid als nummer 100, heeft bij de officier van justitie de directrice beledigd en Mie wordt na dat incident ‘ook bestraft’. Mie’s overlijden in 1915 haalt de notulen van het bestuur niet.
De rekesten
Mie blijft vechten voor een herziening van haar vonnis. In 1902 wordt Mie door het gevangenisbestuur gehoord. Zij wil een gratieverzoek aan de Koningin richten. De notulist noteert: ‘Dit is haar toegestaan, doch, daar zij tot toelichting van haar verzoek steeds met dezelfde leugenachtige verhalen aankwam, besloot de vergadering haar verzoek niet te steunen.‘ Gratie krijgt ze niet, maar op 21 februari 1905 mag zij een zegel van ƒ 0,75 (een officieel papier waarop het rekest geschreven moest worden) kopen. Deze keer zal ze de Hoge Raad vragen om herziening van het vonnis. Zij begint met te stellen dat tien jaar daarvoor aan haar gevraagd is ‘de waarheid eens te willen schrijven, jawel Heeren, daar was zij toe genegen‘, maar door personele wisselingen komt het er niet van. Op advies van haar ‘celbewaarster’ richt ze haar verzoek nu aan de Hoge Raad en niet aan de Koningin. ‘Dus Heeren Regters is het nu ruim 21 jaar dat ik onschuldig in de kerker boet, niet dat de Heeren Regters geen schuld hadden, om reden dat ik alles verzon.‘ Als waarheid voert ze de verklaring op die Frankhuizen zelf in eerste instantie had gegeven voor zijn ziekte: ‘van de schaapepooten, die mijn vrouw heeft gekookt‘, zo vertelde hij een kennis, die volgens Mie geantwoord zou hebben: ‘dat wil ik wel geloven want als de schapen de schurft hebben, worden ze met het zwaarste vergift gesmeerd‘. Ook verweert ze zich tegen de aantijging dat ze weigerde een arts te halen. Haar verdediging geeft weer wat inzicht in de artsenpraktijk: ‘Toen ging ik naar Dokter Boers Wills (H.G.: moet zijn Boursse Wils), hij had zijn zitdagen achter de Hooglandsekerk want ZEd was een stadsdokter voor de werkende mensen. Toen vroeg ik ZEd of ZEd bij de zieke Frankhuizen wilde komen […] om twaalf uur kwam de dokter met zijn rijtuig en zijde dit is mijn beursse niet.‘
Over de begrafenisfondsen zegt ze het volgende. Eerst bevestigt ze dat zij voor de familie Frankhuizen premie voorschoot. Ze noemt hierbij de fondsbodes consequent Van der Werf en Onderwater. Mie laat in het rekest noteren dat vrouw Frankhuizen bij van der Werf uit het fonds wilde, ‘want dat vind ik een naare vonst’, maar dat Onderwater het kind niet wilde inschrijven zolang het ziek was. De reden dat zij de inschrijvingsbewijzen (‘boektjes’) in huis had, was dat vrouw Frankhuizen haar had gevraagd na haar overlijden de kinderen in haar geloof te laten. Mie zelf was katholiek, Hannes en zijn zus waren protestant. De kinderen van Mie waren ook protestant en de kleine Hendrik Frankhuizen ook. Het is een onwaarschijnlijk verhaal, temeer daar van godsdienst eerder met geen woord gerept is. Probeert Mie haar voordeel te doen met de verzuiling die in die tijd vorm kreeg?
Ook doet Mie verslag van de eerste dagen van het gerechtelijk onderzoek: na haar eerste verhoor mocht ze naar huis, maar de volgende dag werd ze weer opgehaald en toen werd het fondsboekje van Van der Werf in haar zak gevonden. ‘Toen verzon ik alles; dat nam ik mij voor dat ik alles zou verzenden [sic]. Toen verzon ik dat ik een stuiver goed had gekocht en daarmee naar boven was geweest.‘
Vervolgens legt ze uit – misschien nog het meest aan zichzelf – hoe dom het was om die fondsboekjes in huis te bewaren, want ‘Heeren Regters, hoe kon ik aan een doodsacte komen terwijl de zieke Frankhuizen voor zijn overleden vrouw en voor zijn overleden kind doodsactes had ontvangen, zij kunnen toch geen twee doodsactes geven?‘ Mie weet dus heel goed hoe de regels waren en voert dat nu aan als bewijs voor haar onschuld.
Ze gaat verder met het verloop van het vooronderzoek. Men zou haar gezegd hebben: ‘wij hebben al 80 getuigen, die roepen uit een mond die vrouw is niet schuldig’. Drie beweren iets anders: Izak Ouwerkerk, Jan de Koning (wordt Matthijs de Koning bedoeld?) en Abraham Beij. Uiteraard hebben zij volgens Mie onware verklaringen afgelegd.
Tot slot vertelt Mie hoeveel moeite het haar heeft gekost om dit rekest te mogen indienen. Daarbij noemt ze ‘Heeren uit Den Haag’ die haar vragen de waarheid op te schrijven. Vermoedelijk zijn dit inspecteurs die haar, als ze zegt onschuldig gevangen te zitten, wijzen op haar recht om om revisie te vragen. In eerste instantie krijgt ze geen medewerking: ‘de directeur Meneer Bor was er tegen‘. Twee jaar later herhaalt het zich, nu is meneer Bor nog stelliger: ‘Bij mijn zal je in alereuwigheid geen zegel in dienen.‘ Mie is verontwaardigd, ‘daar ik in de eenentwintig jaar nog nooit geen straf heb gehad‘. Later ‘zijn er twee zegels ingedient daar ik geen ja of neen in mocht schrijven […] ’t Was nadat de Koningin op de troon is gekomen‘ (in 1898 werd koningin Wilhelmina ingehuldigd). ‘Meneer leesde mij die regels voor die hij voor mij geschreven had, toen sprak ik dat zegel stuur ik niet op.‘ Mie vraagt om een nieuw zegel, maar weer schrijft de directeur het zelf weer niet naar de zin van Mie. Opnieuw komen er heren uit Den Haag en Mie vraagt ‘of dat kon bestaan dat een directeur een zegel in mocht dienen op mijn naam daar ik geen ja of neen in mocht schrijven‘.
Het eerste rekest eindigt met het verzoek ‘om mijn levensjaren nog bij mijn kinderen te mogen doorbrengen‘. In de laatste regel van het rekest noemt ze zichzelf ‘een vrouw die zo schuldig boete‘. Een bewust of onbewuste verschrijving van de schrijfster van het rekest, die ondertekent met ‘De Directrice van de Rijksstrafgevangenis‘, Weisfels, met handmerk van M.C. Swanenburg. Het rekest wordt niet ontvankelijk verklaard.
In 1906 wordt een tweede rekest opgesteld en verzonden, ‘hoewel het niet veel nieuwe gezichtspunten biedt‘ naar de mening van het bestuur. Net als het eerste rekest gaat het alleen maar over de zaak Frankhuizen. Mie herhaalt nog eens dat zij ‘uit zinneloosheid onzinnige verklaringen‘ heeft gegeven, zelfs heeft gezegd ‘een stuiver goed te hebben gekocht‘. Ze blijft hameren op de vergiftigde schapenpoten als verklaring voor de dood van het gezin Frankhuizen, en lijkt niet te begrijpen waarom aan de verklaring van het arsenicum nu zoveel meer waarde wordt gehecht dan aan dat andere verhaal. Ook dat rekest wordt niet ontvankelijk verklaard.
Op 31 mei 1907 is een brief bij het rekest van 1906 gevoegd, waarin Mie oppert dat als het verhaal van de schapenpoten dan niet overtuigend is, er toch nog eens goed over de pap nagedacht moet worden, want dat daar ‘een koperen voorwerp in was gevonden waardoor vergiftiging was ontstaan‘. De lezer begint te begrijpen waar de observatie van Daniels en Donkersloot dat Mie ‘omgaat met de waarheid alsof die niet bestaat‘ op gebaseerd is.
In 1908 vraagt ze opnieuw een rekest te mogen indienen, want ‘zij had bij haar vorige rekest verzuimd allerlei feiten te noemen die haar nu te binnen geschoten waren, en die volgens haar een geheel ander licht op de zaak zouden werpen‘. Het bestuur ziet er niets in, maar staat het toch toe – het rekest is echter niet aangetroffen. De regenten lijken dus niet helemaal onwelwillend tegenover Mie te staan, maar van vrijlating kan geen sprake zijn: als ter gelegenheid van de verwachte geboorte van een kroonprins(es) de regenten verzocht wordt een lijst op te maken van gevangenen die voor gratie in aanmerking komen, staat Mie er niet op.
Conclusies
Het onderzoek ten behoeve van de speelfilm die in de jaren ’90 over het leven van Goeie Mie zou worden gemaakt, was aanleiding om opnieuw onderzoek naar deze vrouw te doen.
De bronnen over Mie staan praktisch allemaal in het teken van de ontdekking van het grote aantal moorden dat zij op haar geweten had. De Leidse bevolking was geschokt en de kranten waren waarschijnlijk zo overtuigd van de schuld van Mie dat zij weinig terughoudendheid betrachtten bij de berichtgeving over dit schandaal. Zelfs in de akte van beschuldiging lijken citaten te staan die niet in de processen-verbaal teruggevonden kunnen worden. Zo kon het beeld van een gewetenloze moordenares ontstaan. De vraag is dan toch waardoor de omslag van Goeie Mie – betrouwbare, hulpvaardige Mie – naar Mie de gifmengster is gekomen. Omdat er geen aanwijzingen zijn voor een traumatische gebeurtenis lijkt de meest voor de hand liggende verklaring dat zij eerst in de gaten kreeg dat de begrafenisverzekeringen lucratieve investeringen waren, vervolgens de regie over haar verzekeringen en vergiftigingen kwijtraakte en al dan niet door overspanning psychisch verward raakte, wat zich uitte door bijna panische vergiftigingspogingen en – als de citaten in de akte van beschuldiging juist zijn – uitermate hardvochtige opmerkingen over de slachtoffers.
Na haar arrestatie slaagt Mie er niet in zich geloofwaardig te verweren: haar argumenten en verklaringen klinken schril en armoedig. De manier waarop Mie tijdens de rechtszaak wordt bejegend door de rechter, de officier van justitie, de verslaggever, ja zelfs haar eigen advocaat is schokkend. Het is aannemelijk dat ze tijdens haar hechtenis niet veel milder zal zijn bejegend, wat haar niet uitgenodigd heeft om te bekennen en berouw te tonen. Dus slaagt ze er niet in sympathie, medelijden of zelfs maar begrip te wekken bij de juristen of de psychiaters. Uit het rapport van de doctoren Donkersloot en Daniels spreekt nauwelijks verholen afkeer en irritatie. De hulpvaardige en goedgeefse Mie die ook bestaan heeft, klinkt nergens meer in door. Uit de gegevens van de gevangenis van Gorinchem spreekt ook een tweeledig beeld. Vanaf 1902 komt Mie regelmatig ter sprake in de bestuursvergadering van de gevangenis, maar nooit is zij een bron van onrust of de veroorzaker van problemen. Wel laat zij zich in twee gevallen meeslepen door een medegevangene. Ze lijkt dus een braaf leven te leiden. Haar gratieverzoeken worden echter niet serieus genomen; gezien de inhoud is dat wel begrijpelijk. Het verweer van Mie is niet overtuigend, omdat zij niet ingaat op de bewijslast die tegen haar is verzameld en ze geen greintje berouw toont.
De psychiater Ramaer lijkt nog het best in staat de natuur van Mie onder woorden te brengen. Zijn uitspraak dat de straffeloosheid die volgde op de eerste moorden haar parten heeft gespeeld, lijkt aan te sluiten op de Mie die leeft in de gevangenis, waar een ijzeren structuur van haar weer gewoon een brave vrouw maakt. Dat dat niet vanzelf spreekt, blijkt wel uit de acties die haar zaalgenoot nog vanuit de gevangenis wist te ondernemen. Uit de bronnen komt behalve een misdadigster ook een vrouw naar voren die er na een traumatische jeugd in slaagt een respectabele plek in de maatschappij in te nemen, maar die uiteindelijk toch te weinig heeft meegekregen om onderscheid tussen goed en kwaad te maken. De sociaal-economische omstandigheden dwingen haar niet op het verkeerde pad, maar bieden wel de gelegenheid en dan blijkt ze niet toegerust om de verleiding te weerstaan. Bovendien zijn er in de weken voor haar arrestatie aanwijzingen te vinden dat ze psychisch verward raakt en in het wilde weg opereerde. Het is niet gemakkelijk om sympathie voor haar te voelen, maar deerniswekkend is zij zeker.



