Fabriek voor metaalwerken in Delft

Uit:

Het Nieuwe Instituut, Rotterdam,

Koninklijke Fabriek F.W. Braat N.V. / Archief, nummer toegang BRAA

Op 22-jarige leeftijd vestigde Frederik Willem Braat (1822-1889) zich als zelfstandig loodgieter en pompenmaker aan de Oude Langendijk te Delft. Hij deed dit nadat hij jaren in de leer was geweest bij verschillende loodgieters in Leiden, Voorburg en Utrecht. In 1868 was zijn bedrijf zo succesvol dat het kon verhuizen naar een groter pand aan de Phoenixstraat te Delft. Toen Frederik Willem stopte met werken in 1884 liet hij een lucratieve fabriek achter voor zijn twee zoons en schoonzoon. Deze tweede generatie Braat maakte van het bedrijf een vennootschap en verhuisde naar het terrein tussen de Hooikade en de Delftse spoorlijn. Rond 1930 werd door de derde generatie Braat een kantoorpand van de architect Jan de Bie Leuveling Tjeenk aan het bedrijventerrein toegevoegd. Het bedrijf kreeg vanaf 1970 te maken met grote financiële problemen. In 1972 werd de directie vervangen en kort daarna werd het bedrijf een B.V. In 1981 verhuisde het naar Rotterdam. Het bedrijf staakte alle activiteiten twee jaar later. Het bedrijf werd in 1994, na een faillissementslooptijd van elf jaar, uitgeschreven uit het handelsregister. Alle bedrijfspanden in Delft, behalve het kantoorgebouw aan de Hooikade, werden voor 1984 gesloopt. Het bedrijf is tijdens zijn bestaan het bekendst geworden door siersmeedwerk, kozijnen, verwarmingssystemen en schopeerwerk.

Verschillende namen

De verschillende namen waaronder het bedrijf bestond zijn:

  • Zinkfabriek F.W. Braat (1844-1882)
  • Koninklijke Zinkfabriek F.W. Braat (1882-1907)
  • Naamlooze Vennootschap F.W. Braat’s Koninklijke Stoomfabriek van Werken in Zink en Andere Metalen (1907-1915)
  • Naamlooze Vennootschap F.W. Braat’s Koninklijke Fabriek van Metaalwerken (1915-1929)
  • Koninklijke Fabriek F.W. Braat N.V. (1929-1972)
  • Fabriek F.W. Braat B.V. (1972-1983).

Samenwerking en afzetmarkt

Hoewel de belangrijkste vestigingen van het bedrijf zich in Delft bevonden, was door fusies en overnames Braat N.V. ook buiten deze stad te vinden. In een jubileumpublicatie over het bedrijf uit 1969 worden werkmaatschappijen in Schiedam en Oosterbeek genoemd. De firma oriënteerde zich ook op het buitenland, niet alleen voor samenwerking en vestiging, maar ook om een mogelijke afzetmarkt te vinden. Vooral uit Zuid-Afrika kwam, tot het uitbreken van de Boerenoorlog in 1899, een stroom opdrachten. Bij het wegvallen van deze opdrachtgevers vond het bedrijf een nieuwe afzetmarkt in Scandinavië. Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) sloot Braat N.V. een verbond met het Engelse bedrijf The Crittall Manufacturing Company te Braintree en rond 1925 werden de afzetmogelijkheden in Nederlands-Indië onderzocht. De fabriek besloot een vaste vertegenwoordiging van ingenieurs naar Java te sturen.

Smeed- en gietwerk

Deelname aan de tentoonstelling van de Koninklijke Maatschappij tot Aanmoediging van den Tuinbouw te Rotterdam (1857) zorgde ervoor dat de vraag naar tuinbeelden van Braat aanzienlijk toenam. De levering van metalen sierobjecten nam een vlucht toen de architect A.L. van Gendt de firma in 1880 adviseerde zich toe te leggen op siersmeedwerk. De productie van objecten als haardschermen, radiatoromkledingen, kachels en trapleuningen werd de grootste bron van inkomsten. In een voorbeeldenboek dat de zinkfabriek in die periode gebruikte, zijn de meest uiteenlopende ornamenten te zien. Vier jaar later voorzag het bedrijf onder andere het Centraal Station te Amsterdam en de Passage te Den Haag van zinken sierornamenten. Van 1888 tot 1928 was de beeldhouwer K. Cramer bij het bedrijf in dienst. In de prijzenoorlog die de branche vanaf 1908 uitvocht, moest de firma Braat het onderspit delven. Nog zeven jaar probeerden ze het hoofd boven water te houden, waarna de kunstsmederij werd gesloten. Kort na de Eerste Wereldoorlog hoopte het bedrijfopdrachten voor bronzen standbeelden in de wacht te slepen. Helaas was in Nederland te weinig geld beschikbaar voor dit soort objecten en de bronsgieterij moest in 1920 worden gesloten.

Raam- en deurkozijnen

Tot het brons- en metaalwerk dat de firma in 1908 voor het Vredespaleis te Den Haag verzorgde, behoorde siersmeedwerk, maar ook de raamkozijnen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog kwam de productie van raam- en deurkozijnen op gang. Deels werd dit veroorzaakt door de lage materiaalkosten tijdens de oorlog en deels door een goede samenwerking met het Engelse bedrijf Crittall, dat gespecialiseerd was in deze producten. Toen de architecten Brinkman en Van der Vlugt in 1928 de firma Braat vroegen om de ramen voor de door hen ontworpen Van Nelle fabriek te Rotterdam te vervaardigen, liet het bedrijf een speciale ramenwerkplaats bouwen. Aanvankelijk leverde de fabriek alleen ramen op maat. De invoer van standaardtypen in 1957 veranderde dat en de fabriek kreeg tijdens de naoorlogse wederopbouw orders voor de kozijnen en het hang- en sluitwerk van complete woonwijken.

Verwarmingssystemen

De vervaardiging van kachels was de eerste stap van de firma Braat op het gebied van de verwarmingssystemen. In 1915 legde de firma Braat zijn eerste wijkverwarming aan voor het Rijkskrankzinnigengesticht te Woensel. Nadat het bedrijf in 1925 ook wijkverwarming in Utrecht had aangelegd was de afdeling Centrale Verwarming een feit. Rond die tijd kwam ook de levering van radiatoren op gang. Enkele van de afnemers waren het postkantoor te Rotterdam en het Jachtslot St. Hubertus te Hoenderloo. Tussen 1920 en 1934 produceerde het bedrijf oliebranders en vanaf 1929 plaatste het ook oliestookinstallaties. De laatste vernieuwing op het gebied van verwarmingssystemen dat het bedrijf succesvol kon toepassen was plafondverwarming. Deze door de Noor G. Frenger ontwikkelde verwarming werd bijvoorbeeld toegepast bij de Rijksverzekeringsbank te Amsterdam.

Schoperen

In 1913 presenteerde de Zwitser M.U. Schoop een nieuwe metaal-behandeling die roestvorming tegen gaat. Met een spuitpistool met daarin vloeibaar metaal, meestal zink en aluminium, bracht hij een laagje aan op onbehandeld of gezandstraald metaal. Deze methode ging ‘schoperen’ heten en de firma Braat vroeg in 1923 onmiddellijk een licentie aan voor de toepassing van het schoperen. De eerste opdracht dat jaar was de behandeling van de elektriciteitsmasten van de spoorlijn Rotterdam. Een paar jaar later was de toepassing van het procedé in hoge mate geprofessionaliseerd. De architect M. Brinkman had de zinkwerkerij omgebouwd tot een speciale schopeerwerkplaats waar met 26 spuitpistolen werd gewerkt. Daarmee was de schopeerwerkplaats op dat moment de grootste ter wereld. In 1964 werd een pand ingericht, uitsluitend bestemd voor de ‘thermische verzinkerij’, zoals het procedé binnen het bedrijf tegen die tijd werd genoemd.

Uiteenlopende orders

Naast dit alles heeft de firma Braat allerlei producten geleverd die verband hielden met speciale opdrachten. Voor schepen zijn uiteenlopende orders uitgevoerd zoals scheepsluchtkappen en patrijspoorten. Maar ook loden kisten bestemd voor zeebegrafenissen werden geleverd. Ook werden regelmatig bestellingen geplaatst voor hekken. Vlak na de eeuwwisseling waren het vooral de banken die Amerikaanse schuifhekken bestelden. Braat leverde rond 1916 de hekken voor het Scheepvaarthuis te Amsterdam. In datzelfde jaar gaf de Nederlandse Spoorwegen de opdracht om voedingwatervoorwarmers voor hun locomotieven te vervaardigen. Rond die tijd kwamen ook bestellingen binnen voor munitiewagens en zoeklichten. Waar het de fabriek in de Eerste Wereldoorlog naar omstandigheden prima was vergaan, was de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) een periode van moeizame productie. Van de in die tijd vervaardigde noodkachels en sleden is in dit archief dan ook niets terug te vinden.

Koninklijke Fabriek F.W. Braat verkoopt aan het eind van de negentiende eeuw zinken ornamenten tot ver in het buitenland. De twee jongste zoons van oprichter F.W. Braat nemen het moderne en uiterst succesvolle metaalbedrijf in 1884 over. Voor zijn oudste dochter heeft Braat een ander erfstuk in petto: een schriftje met zijn levensgeschiedenis.

—————————————–

Van de site van het gemeentearchief van Delft:

Frederik Willem Braat (1822-1889) schrijft de memoires voor zijn dochter Maria Petronella op als zij in 1886 het huis uitgaat en met haar man Tobias Draijer naar Nederlands-Indië vertrekt. Braat beschrijft hoe hij als ambachtsleerling na twee weken ontslagen wordt bij zijn leermeester in Utrecht wegens gebrek aan ervaring. Hij overweegt om met een vriend naar Berlijn te gaan. Alleen omdat zijn vader er sterk op aandringt, komt hij terug naar Delft en vestigt hij zich als 21-jarige met een bescheiden loodgietersbedrijf aan de Oude Langendijk. ‘Daar was nu mijn lot beslist: loodgietersbaas in Delft, zonder een cent te bezitten.’ Over die financiën hoeft hij zich al snel geen zorgen meer te maken. Braats vernieuwende gebruik van zink zorgt voor een bloeiende handel. In 1874 wordt hij hofleverancier, in 1881 krijgt het bedrijf het predicaat ‘koninklijk’.

Het is mooi om te zien hoe de pater familias over de successen en mislukkingen schrijft. Toch schuilt de ware kracht van dit schriftje in de verhalen eromheen. Het verhaal van Fabriek F.W. Braat is vaker verteld, de geschiedenis van Frederik Willem zelf is minder bekend. Zo onthult hij al direct dat hij eigenlijk voorbestemd was voor een betrekking aan het hof van prins Frederik om in de voetsporen te treden van de oom naar wie hij vernoemd is. Als hij oud genoeg is voor een betrekking is zijn oom echter al overleden. Hij kan hem niet aan het hof introduceren en Braats carrièreperspectief verandert radicaal. Geen koninklijke hofdienst dus, wél een koninklijk bedrijf.