Van Leeuwenhoeksingel 38 in Delft

Ten zuidwesten van de stad Delft, ten zuiden van de Buitenwatersloot ligt de Krakeelpolder. In die polder lag aan het begin van de 19e eeuw een zuiver rond perceeltje van 0,27 ha met een sloot eromheen. Het was het restant van wat ooit een motte was geweest. Een motte is een middeleeuwse kunstmatige heuvel, opgeworpen in een vlak land en vaak versterkt door een wal, palissade, grachten en / of struikgewas. Zo’n motte deed vaak dienst als bescherming van de bewoners van de boerderij, waarbij die motte hoorde; bescherming tegen plunderende legers of roversbenden. De boerderij en alles wat daarbij hoorde, ging verloren, maar de bewoners overleefden de plundering tenminste. Alhans dat was de bedoeling.

Het gaat hier om het mottekasteel Madeburcht dat mogelijk in de 13e eeuw gebouwd is. Het bestond uit een toren op een heuvel met daarnaast een voorburcht en bijgebouwen. Het kasteeltje was eigendom van (en mogelijk gebouwd door) mensen uit het geslacht van der Made, vandaar de naam. Ene Bartholmeus van der Made wordt in 1268 genoemd als stichter van de Oude Kerk in Delft. De landen rondom de Madeburcht werden de Madelanden genoemd. In 1394 beveelt de graaf van Holland dat het kasteeltje afgebroken moet worden als strafmaatregel tegen de kasteelheer die in ongenade gevallen is.

Op onderstaande uitsnede van de kaart van Kruikius (1712) is de plek waar deze motte stond nog goed te zien. Ook de weg ernaartoe, de toenmalige Mae Laen (Madelaan), is goed te zien.

Figuur 1: Uitsnede van de kaart van Kruikius uit 1712, waarop de plek van het vroegere mottekasteel Madeburcht goed te zien is. Het lijkt erop dat het toen nog een verhoging in het landschap was. Op deze kaart is het noorden rechtsboven.

Van deze motte was in de 19e eeuw niet veel meer over dan de ronde gracht / sloot.

Figuur 2: Kadastrale kaart (1832) van de noordoost punt van de Krakeelpolder.

Dit kaartje is gebaseerd op de eerste kadastrale opmetingen tussen ca. 1810 en 1832 (en overgenomen van https://hisgis.nl). Het perceeltje werd op de kadastrale atlas aangeduid als ‘bouwland’ (bruin) en was toen eigendom van de Haagse jonkheer Hieronymus van der Burch van Spieringshoek. Het geslacht Van der Burch is een Delfts regentengeslacht. Ook Hieronymus’ moeder behoorde tot een Delftse regentengeslacht: Van der Dussen. Het perceeltje lag ongeveer ter hoogte van de huidige Beatrixlaan. Ook het (vierkante) perceel eromheen was van hem. Dat was bijna 3,37 ha groot. Vanuit de stad leidde een ca. 500 m lange en minder dan 5 m smalle kavel daar naartoe, die ook in zijn bezit was. Dit is het restant van de voormalige Madelaan (ter hoogte van de huidige Ada van Hollandstraat). De lange, smalle kavel begon ongeveer op de plek waar later het (tweede, nu oude) station van Delft zou worden gebouwd. In dit artikel wordt ingezoomd op het gebied rond dat begin van die lange kavel. Op die plek zou het later ‘van Leeuwenhoeksingel’ heten.

Inzoomen op die plek

Toen de vermaarde kaartenmaker Blaeu in 1652 de plattegrond van Delft tekende, was de latere Van Leeuwenhoeksingel al enigszins zichtbaar.

Figuur 3: Plattegrond van Delft anno 1652, getekend door Blaeu.

Op deze plattegrond is onderaan de westelijke stadsvest te zien met het Bolwerk (de driehoek) en rechts daarvan de Houttuinen buiten de stadsvest. Dit was de plek waar houthandelaren hun voorraad opsloegen (vandaar de naam Houttuinen). De dijk rondom de Houttuinen is ruim twee decennia later de basis voor de Van Leeuwenhoeksingel.

Figuur 4: Tekening van de Houttuinen daterend van 1782.

In de eerste helft van de 19e eeuw is de situatie aan de zuidwest kant van Delft buiten de stadsvest nog niet veel anders. Dat is op onderstaand kaartje te zien.

Figuur 5: Uitsnede van de kaart van figuur 2 (noorden is boven).

Het kaartje toont het zuidelijk deel van de westelijke stadsvest. De donkere driehoek bovenin is weer het Bolwerk. Deze verbond de Binnenwatersloot (binnen de stad) met de Buitenwatersloot (buiten de stad). De enige substantiële bebouwing buiten de stadsvest is het lint ter weerszijden van de Buitenwatersloot (tot ca. ½ km buiten de stad) en het complex langgerekte gebouwen ten westen van de zuidpunt van de stad. Die bebouwing is in de plaats gekomen van de Houttuinen die daar twee eeuwen daarvóór lagen. Deze gebouwen hadden een militaire functie en stonden bekend als de Constructiewerkplaatsen.

Vanaf 1679 vonden er steeds meer militaire werkzaamheden plaats, in eerste instantie een affuitmakerij (nog in de open lucht). Deze had zich ontwikkeld tot de gebouwen op het bovenstaande kaartje. In de 19e eeuw hadden honderden Delftenaren een baan ‘bij de Constructie’, waar onder veel geweermakers.

Op het kaartje is ook te zien dat er rond de gebouwen van de Constructiewerkplaatsen een sloot lag met daaromheen een lage dijk. De dijk moest waarschijnlijk de Constructiewerkplaatsen beschermen tegen hoog water in de polder. De dijk had tevens de functie van (onverharde) weg.

Buiten die dijk lagen in het noorden tuinen (de gele percelen) en zuidelijker weilanden (de groene percelen). De zuidelijkste strook tuinen was in eigendom van de gemeente Delft. Het eerste lange, smalle groene perceel is van de in het begin van dit artikel genoemde jonkheer Hieronimus.

Grondeigenaar Hendrik Karel van der Boon Mesch

De twee brede weilandpercelen ten zuiden daarvan (de nrs. A442 en A443, beide ca. 1,3 ha) waren volgens de kadastrale gegevens van 1832 eigendom van Hendrik Karel van der Boon Mesch, een apotheker uit Delft. De adresaanduiding van deze percelen was Krakeelpolder, wijk 7. Hij bezat meerdere percelen grond rond deze plek en ook een woning (iets ten zuiden van de huidige Ireneboulevard). Hij woonde zelf in ‘t Schaeck op de Wijnhaven 22 (waarschijnlijk het pand waar nu Café de Wijnhaven zit). Hij is de vader van Anthonij Hendrik van der Boon Mesch, scheikundige en hoogleraar landhuishoudkunde aan de universiteit van Leiden. Ook andere zoons hebben het ver geschopt in de wetenschap.

Figuur 6: Apotheker Hendrik Carel van der Boon Mesch

Hendrik Karel van der Boon Mesch is overleden in Delft in juni 1832, zo’n 25 jaar na zijn echtgenote. Toen was het eigendom van deze twee percelen weiland al overgegaan op Pieter Viruly en diens vrouw Petronella Martina van Grauwenhaan. Deze Pieter Viruly was via de familie Gijsberti Hodenpijl verwant aan de familie Van der Boon Mesch. Het feit dat Van der Boon Mesch op de kadastrale kaart van 1832 als eigenaar vermeld stond, hoeft overigens niet te betekenen dat hij toen nog eigenaar was. Dat komt doordat deze kaart niet een momentopname is, maar het resultaat van twee decennia kadastrale opmetingen. Mogelijk heeft de verkoop (of een andere wijze van eigendomsoverdracht) al vóór 1832 plaatsgehad. Dat jaartal is niet achterhaald.

Pieter Viruly heeft deze percelen weer verkocht. Ook de datum van deze verkoop is niet achterhaald. De koper is een bekende: Hieronymus van der Burch van Spieringshoek (de eigenaar van de restanten van de motte en de toegangsweg daarvan) . Dat maakt duidelijk dat deze verkoop vóór 1850 heeft plaatsgevonden, want toen is Hieronymus overleden en toen had hij deze bezittingen alweer verkocht.

Dat wil dus zeggen dat in de ca. twee decennia vóór 1850 deze weilanden drie keer zijn verkocht. Waren dat speculatieve acties vooruitlopend op de ontwikkelingen die zich aankondigden?

Aanleg van de spoorlijn

In 1847 werd de spoorlijn vanuit Amsterdam via Haarlem, Leiden en Den Haag richting Rotterdam doorgetrokken. Dit project werd uitgevoerd door de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij (H.IJ.S.M.). De ‘spoorwegingenieur’ Frederik Willem Conrad had bedacht dat de spoorlijn zo’n halve kilometer ten westen van de westelijke stadswal van Delft zou komen te lopen, zodat tussen de bestaande stad en de spoorlijn ruimte was voor een monumentale spoorwijk. De gemeente Delft vond dat geen goed plan, want dan zou het station in de gemeente Hof van Delft komen te liggen (en dus niet in Delft). Delft kreeg het voor elkaar dat de spoorlijn vlak langs Delft werd aangelegd. Omdat de spoorlijn wel buiten de Constructiewerkplaatsen om moest gaan, kwam er ter hoogte van het Bolwerk een knik in de spoorlijn, hetgeen met de snelheden van de treinen in die tijd geen enkel bezwaar was. De spoorlijn werd ter hoogte van de Constructiewerkplaatsen aangelegd op een talud (een gemaakte verhoging in het landschap). Het resultaat was dat er tussen de dijk rond de Constructiewerkplaatsen en het talud van de spoorlijn een smalle lager gelegen strook land overbleef.

Figuur 7: Topografische kaart van 1850 van de zuidwest hoek van Delft (detail van www.topotijdreis.nl)

Het station van Delft stond oorspronkelijk net ten zuiden van de bocht (vlakbij het Bolwerk). Al in 1885 werd een nieuw station geopend ca. 200 m. zuidelijker (ongeveer op de plek waar de Madelaan begon).

In aanloop naar de aanleg van de spoorlijn werden de percelen, zoals die in 1832 bestonden, natuurlijk ook administratief opgeknipt.

In de kadastrale leggers wordt geen datum genoemd, maar het zal rond 1847 geweest zijn dat de H.IJ.S.M. het meest oostelijke deel (ongeveer een kwart) kocht van de percelen A442 en A443 van jonkheer Hieronimus. De grootste (ook weer oostelijkste) delen van deze afsplitsing krijgen de perceelnummers A1559 en A1560. Ze zijn resp. 12,8 are en 14,2 are groot. De reden hiervan wordt snel duidelijk: de H.IJ.S.M. heeft deze stukken grond niet nodig en zal ze spoedig weer verkopen. De meest westelijke strook van deze afsplitsing blijft in bezit van de spoorwegmaatschappij om daar de nieuwe spoorlijn aan te leggen.

Ook koopt de H.IJ.S.M. van Hieronimus het voor hen relevante stukje (minder dan 1/10 deel) van de Madelaan (perceel A440). Het meest oostelijke stukje is 1,9 are groot en wordt uiteindelijk eigendom van (leggernummer 3437).

Nieuwe grondeigenaar: Joannes Leeuwenburg en (later) diens zoon

De H.IJ.S.M. verkoopt de percelen A1559 en A1560 aan Joannes Leeuwenberg (datum weer onbekend). Hij was een koopman in Delft en ca. 1796 geboren in Zwolle als buitenechtelijke zoon van Alijda Leeuwenberg. Hij was eerst kanonnier bij het prinselijke leger en had in 1815 bij de slag bij Waterloo zijn linker arm verloren. Daarna trad hij in dienst bij de ‘Stapelmagazijnen van de Artillerie-inrichtingen te Delft’. Rond 1820 begon hij een ijzerhandel en werd leverancier van ijzerwaren. Zijn oude werkgever werd een belangrijke klant. Hij trouwde in 1818 in Delft met de Delftse Antonia Johanna Olierhoek. Uit dit huwelijk werden 6 kinderen geboren, waarvan er 4 erg jong overleden. Het oudste kind, Aleida, overleed toen ze 15 jaar oud was. Zo was er nog slechts één kind in leven toen Joannes in 1868 overleed. Dit kind was Goverinus Johannes Leeuwenberg. Goverinus nam de ijzerhandel van zijn vader over. Ook erfde hij de percelen langs de nieuwe spoorweg. In 1871 nam hij bovendien de zaak over van Gijsbertus van Sprang aan de Gasthuislaan. Met succes ging hij ook schaatsen verkopen.

Figuur 8: Advertentie van Goverinus Leeuwenberg op 24-01-1885 in de Nieuwe Rotterdamsche Courant.

Aanvankelijk werkten de vier zoons van Goverinus mee in de ijzerhandel onder de naam ‘G.J. Leeuwenberg en Zonen’. Uiteindelijk werd deze niet door een van de zoons voortgezet, maar door de in 1874 als boekhouder bij het bedrijf in dienst getreden Hermanus Romijn. Uiteindelijk werd dit ‘Romijn IJzerwaren & Gereedschappen BV’, een bedrijf dat nog steeds bestaat. Eén van Goverinus’ zoons, Petrus Johannes Marie, is de mede-oprichter van een bedrijf dat uiteindelijk de ‘Simplex Rijwielfabriek’ in Amsterdam wordt.

Inmiddels werden er initiatieven ontplooid om op de strook grond tussen de dijk langs de Constructie­werkplaatsen en de spoorlijn herenhuizen te bouwen. Het ging om zogenoemde speculatiebouw: particuliere initiatiefnemers die, vaak met geleend geld,  een huis bouwden of lieten bouwen, om het daarna (met winst) te kunnen verkopen. Daarbij vroegen ze de gemeente om de grond bouwrijp te maken. Meestal ging de gemeente hier niet op in, maar in dit geval wel. Het was de gemeente een doorn in het oog dat net buiten de stadsvest van Delft, in de gemeenten Hof van Delft en Vrijenban, veel professoren van de Polytechnische School in Delft woonden, voornamelijk omdat daar lagere belastingtarieven golden. Die belastinginkomsten liep Delft dus mis. Het idee was om in ieder geval een aantal van hen te verleiden op deze plek in de nieuw te bouwen herenhuizen te gaan wonen. Vandaar dat de gemeente Delft hier wel wat wilde investeren. Als tegenprestatie eiste de gemeente van de diverse aannemers wel dat zij zich onder het toezicht van de gemeente-architect zouden stellen. Het resultaat is dat er een rij herenhuizen verrees, die onderling verschilden, maar toch één geheel vormden.

Waarschijnlijk hebben vader en zoon Leeuwenberg deze plannen met plezier gevolgd.

In 1875 waren aan de zuidkant (de latere lage nummers) al enkele van de nieuwe herenhuizen gebouwd en woonden er al een aantal mensen. Zij verzochten in augustus van dat jaar aan de gemeente om hun straat een naam te geven, omdat de adressering problemen opleverde. Omdat toen juist het feit werd herdacht dat Antoni van Leeuwenhoek 200 jaar daarvoor (in Delft) zijn ‘microscopische wezentjes’ had ontdekt, stelden zij voor hun straat naar hem te vernoemen. Hoewel de bewoners nog dachten aan een ‘Van Leeuwenhoekstraat’ vond de gemeente een ‘Van Leeuwenhoeksingel’ meer gepast. Hoewel de gebouwen van de Constructiewerkplaatsen er nog tussen stonden was het wel de weg langs de stadssingel.

In 1877 vormt Goverinus een tijdelijk, administratief, gezamenlijk eigendom met de H.IJ.S.M. om een nieuwe verdeling van de percelen bij de spoorlijn mogelijk te maken. Hij brengt de van zijn vader geërfde percelen A1559 en A1560 in (samen 27,0 are) en de H.IJ.S.M. een aantal percelen kleiner percelen (in totaal 7,45 are). Het resultaat van deze transactie is dat hij een perceel van 30,28 are overhoudt met als kadastraal nummer A2527.

Figuur 9: De landmeter Staal tekent in 1879 drie percelen aan de Van Leeuwenhoeksingel. Links de ‘Spoorweg’ en rechts de ‘Cingel’.

Vervolgens verkoopt hij een klein deel (3,08 are) aan de boekhouder Johannes Adrianus de Rooij. Deze laat daarop meteen een huis bouwen. Daarna verkoopt Goverinus weer een stukje (1,10 are) aan de timmerman Hendrik Nicolaas Coster. Ook daarop is meteen een huis gebouwd.

Figuur 10: Splitsing perceel A2648 in drie kleine en één groot deel (in 1880).

Dan heeft Goverinus nog 26,1 ha over. Deze situatie is door landmeter Staal in hier afgebeelde kadastrale veldwerk in 1879 weergegeven (figuur 9).

Het meest noordelijke perceel (A2646) is het deel dat Goverinus Johannes Leeuwenberg verkocht aan Johannes Adrianus van Rooij. Het perceel daaronder (A2647) is het deel dat hij verkocht aan Hendrik Nicolaas Coster. Op het perceel A2648, dat hij nog in bezit heeft, staan nog geen huizen.

Dat nog onbebouwde perceel splitst hij in 1880 in vier nieuwe percelen, een grote en drie kleine. Deze situatie is ook opgetekend door een landmeter (figuur 10).

Op die tekening wordt de begrenzing in het westen aangeduid als ‘spoorsloot’.

De bouwer: Evert Elkenbracht

In datzelfde jaar, 1880, koopt Evert Elkenbracht die drie kleine percelen van Goverinus Johannes Leeuwenberg. Al voordat ze op 02-05-1880 een en ander bevestigen bij de notaris is de koop al gesloten en betaald. Evert heeft voor de ruim 2 are bouwgrond f 1.175,- neergelegd. Evert Elkenbracht is een Delftse meester timmerman. Hij is de (enige) zoon van Johan Christiaan Elkenbracht (of Elckenbracht) en Trijntje Koopman. Vader Johan Christiaan is eveneens timmerman, moeder Trijntje een vissersdochter uit Enkhuizen. De grootvader van Evert, Johann Friedrich Christiaan Elckenbracht, was ca. 1760 geboren in het Duitse plaatsje Landau. Als soldaat belandt deze Johann Friedrich Christiaan via Vlissingen omstreeks 1820 in Delft.

Evert trouwde in 1883 in de gemeente Hof van Delft met de Delftse Susanna Machtilda Haaxman. In de acht jaren daarna kregen zij vier kinderen, waarvan de oudste dochter slechts erg kort leefde.

Evert had dus in mei 1880 de drie percelen aan de Van Leeuwenhoeksingel gekocht. Later datzelfde jaar, op 08-12-1880, verkoopt Evert Elkenbracht ‘een deel van het perceel sectie A, nr. 3051, naar eigen meting groot omstreeks 31 centiaren, zijnde een strook open grond aan de Westzijde van den LeeuwenhoekCingel en zich uitstrekkende voor des Comparants twee woonhuizen, op den kadastralen legger voorkomende onder Sectie A, nr. 3049 en 3050’.

De derde van de voorwaarden en bepalingen luidt:

Dat de Comparant en zijne opvolgers in den eigendom zullen zijn gerechtigd om voortdurend op den overgedragenen grond te houden het er opgestelde bordes, toegang gevende tot zijne voormelde woonhuizen en ook de in den grond zich bevindende put, vervaardigd van cementsteen en bestemd tot verzameling van regenwater ten behoeve van zijne huizen te behouden, zoo lang die put in voldoenden toestand zal worden onderhouden.

Ofwel: de gemeente kocht een strookje grond om een trottoir voor de huizen te kunnen realiseren, maar de stenen trap die toegang geeft tot het pand op de beletage, en die op dat gemeentelijke stukje grond staat (net als de eronder gelegen regenput), mag blijvend door de eigenaars gebruikt worden. Zo’n zelfde transactie vindt plaats bij de andere woningen langs de singel.

Ook van deze verandering is door een landmeter een ‘hulpkaart’ gemaakt.

Figuur 11: Hulpkaart voor de verkoop in 1880 van 31 ca door Evert Elkenbracht aan de gemeente.

De 4 centiare van perceel A3051 die niet door de gemeente worden gekocht, worden eerlijk verdeeld over de twee percelen van Evert. Daarom worden zijn percelen hernummerd naar A3169 en A3170.

Geconcludeerd kan worden dat Evert Elkenbracht in 1880 (hij is dan pas 25 jaar oud!) tussen mei (aankoop percelen) en december (transactie met de gemeente) twee woonhuizen heeft gebouwd of heeft laten bouwen. Het gaat om de huizen Van Leeuwenhoeksingel 37 en 38 met een gelijke, maar gespiegelde vorm en indeling. Een aantal jaren later zou hij dit nog eens doen met de huizen Van Leeuwenhoeksingel 35 en 36, die qua vorm gelijk zijn aan de nrs. 37 en 38, maar een meter breder (6 i.p.v. 5 m.).

Figuur 12: Stand van zaken van de bebouwing aan de Van Leeuwenhoeksingel omstreeks 1880 (het noorden is rechts).

Bovenstaande plattegrond laat zien hoe het er aan de Van Leeuwenhoeksingel rond 1880 voor stond. Aan de zuidkant (links) is al een flinke rij huizen gerealiseerd. In het noorden nog slechts vier, waarvan de derde van rechts het hier besproken nr. 38 is. Uiteindelijk zou dit een aaneengesloten rij worden. Ietsje naar rechts (niet op deze tekening) staat het station, dat – zoals eerder vermeld – twee jaar vóór het jaartal van deze plattegrond was geopend.

Figuur 13: In 1887 werd er een ‘achterom’ gerealiseerd (het noorden is linksonder).

Vlak daarna werden de twee aansluitende woningen gebouwd (Van Leeuwenhoeksingel 35 en 36). Daarmee ontstond de behoefte aan een ‘achterom’. Die kwam er dan ook, getuige het hiernaast afgebeelde hulpkaartje (figuur 13). Hoewel dit ‘achterom’ niet achter hun tuin liep, konden de bewoners van nr. 38 hier ook gebruik van maken.

Figuur 14: Een plattegrond uit 1898 met tussen de Van Leeuwenhoeksingel en de Hooikade (in het zuiden) het Engelsch Kerkhof. Dat kerkhof was toen (in 1898) als zodanig al lang niet meer in gebruik en waarschijnlijk ook niet meer als zodanig herkenbaar.

Nummering

De bouw van de rij herenhuizen aan de (latere) Van Leeuwenhoeksingel was begonnen aan de zuidkant. Daarna volgden enkele woningen aan noordkant (bij het station) en vervolgens werd de rij in het midden aan elkaar gebouwd.

De nummering had de bouw gevolgd. Die begon aan de zuidkant met de nrs. 1, 1A en 1B. Daarna kwamen de nrs. 2 tot en met 19. Dan was er een nr. 20, maar dat huis / boerderij lag eigenlijk aan de (latere) Parallelweg aan de andere kant van de spoorlijn. Dan volgde het nog onbebouwde stuk en de vier huizen aan de noordkant met de nrs. 20A, 20B, 20C en 20D. Er waren ook nrs. 21 t/m 26, maar dat waren waarschijnlijk het station en een aantal huizen aan de noordkant van het station.

Toen het middenstuk werd volgebouwd kregen die de nrs. 27 tot en met 35, genummerd van noord naar zuid! De twee huizen die het noordelijke rijtje compleet maakten kregen de nrs. 38 en 39. Ook waren er nrs. 36 en 37. Het laatste betrof alleen een erf (geen huis) en wat nr. 36 was, is onduidelijk. Dit resulteerde in een nogal onlogische nummering van de uiteindelijk aaneengesloten rij herenhuizen. In de jaren ’80 van de 19e eeuw volgde dan ook een hernummering.

Deze hernummering vond plaats in twee fases. Eerst kregen de nrs. 27 tot en met 39 samen met drie tot dan toe ongenummerde huizen tijdelijke nummers: 20AA en 20EE tot en met 20QQ. Het (oude) nr. 28 kreeg twee nieuwe nummers: 20KK en 20JJ

Er was ook een Leeuwenhoeksingel 20RR: dit pand werd aangeduid met ‘Bourgondische Toren’ met als eerdere adres ‘Zuidwal 1’. De Bourgondische Toren was een van de torens van de stadswal en wel de toren op de zuidoostelijke punt van de wal (de Zuidwal), gelegen tegen de Groenmolen. Waarom deze toren een nummer kreeg halverwege de Van Leeuwenhoeksingel is onduidelijk.

En vervolgens werd de hele rij van zuid naar noord opvolgend genummerd. In onderstaande tabel deze hernummering op een rij. De ‘Bourgondische Toren’ kreeg nr. 22, net als het huis dat daarvóór nr. 35 had gehad.

Hieronder een overzicht van deze hernummering:

In onderstaande wordt alleen de nieuwe nummering gebruikt.

Eerste bewoners

De bouwer van Van Leeuwenhoeksingel 38, Evert Elkenbracht, verkoopt dit huis pas op 01-05-1897. Hij heeft er in de tussenliggende 17 jaar niet zelf gewoond. Hij staat niet op het betreffende blad in de bevolkingsregistratie en  zijn kinderen worden in die tijd geboren in de gemeente Hof van Delft. In het koopcontract staat expliciet vermeld dat hij de grond heeft gekocht en het huis ‘gesticht’. Het huis ernaast (nr. 37) verkoopt hij pas in 1902.

In de tijd tussen de bouw in 1880 en de verkoop in 1897 kent nr. 38 een lange reeks bewoners, die er steeds kort wonen, van een paar maanden tot een paar jaar.

De eerste in die reeks waren de leraar Willem Dignus Gratama (geb. 05-05-1853 te Leiden) en zijn gezin. Zij wonen er vanaf 03-01-1881. Het gezin bestaat uit zijn vrouw Maria Wilhelmina Hofstede (geboren 13-02-1856 te Assen) en een kind. Op 25-08-1884 verhuizen zij naar Van Leeuwenhoeksingel 35.

Diezelfde dag komen daar wonen (vanuit het huis ernaast, nr. 39) de kleermaker Willem Johannes Christiaan van der Velden (geb. 19-03-1850 in Delft) en zijn vrouw Elisabeth Wilhelmina Gerling (geb. 15 5 1848 in Rotterdam), met haar dochter Johanna Hendrica Gerling. Ongeveer een jaar na hen komt ook Elisabeths vader, Johan Heinrich Gerling (geb. 26-06-1815 in Diepenau), hier wonen. Zij vertrekken 2 ½ jaar later (op 06-01-1887) naar een ander adres in Delft.

Vrijwel tegelijk met het echtpaar Van der Velden – Gerling woont ook de fabrikant Wouter Cornelis Braat op dit adres (hij komt een maand na hen en vertrekt een maand na hen). Zijn adres daarvóór is Van Leeuwenhoeksingel 21 (waar zijn ouders woonden) en hij gaat daarná naar Van Leeuwenhoeksingel 7. Hij is de zoon van Adriana Kikkert, die als weduwe op meerdere adressen aan de Van Leeuwenhoeksingel woont. Zijn vader was Frederik Willem Braat, de oprichter van de Braatfabriek, die tegenover het zuidelijke einde van de Van Leeuwenhoeksingel stond.

Vanaf 17-06-1886 tot 30-11-1886 woont er ook de op 28-03-1861 in Den Haag geboren Evert Christiaan Suermondt.

En van 21-09-1887 tot 19-12-1895 woonden Geeraard Johannes van Deinse (geb. 20-08-1840 in Wolphaartsdijk) en zijn vrouw Wilhelmina Jacoba Agnes Isabella Sweemer (geb. 24-01-1849 in Woerden) op dit adres. Hij is kapitein bij de artillerie. Zij hadden geen kinderen.

Figuur 15: Overzicht van de Braatfabriek aan het einde van de Van Leeuwenhoeksingel anno 1925. Rechtsonder de Van Leeuwenhoeksingel en de gebouwen van de voormalige Constructiewerkplaats. Vanaf 1884 woonde het echtpaar Braat-Kikkert daar op nr. 21. Het huis nr. 38 staat net niet op deze foto. Verder valt de stomp van de in 1928 gesloopte Groenmolen op en de boerderij tussen de Van Leeuwenhoeksingel en de Braatfabriek.
Figuur 16: De boerderij aan het zuidelijke einde van de Van Leeuwenhoeksingel. Datering ca. 1902.

Eerste intermezzo: sloop van de panden 1 t/m 4

In 1954 begon men met de aanleg van de Prinses Irenetunnel om een oost-west verbinding te maken voor het auto- en fietsverkeer onder het spoor door. Daarvoor moesten de huizen Van Leeuwenhoeksingel 1, 2 en 3 gesloopt worden.

In 1993 werd de Prinses Irenetunnel uitgebreid met een extra buis voor een tramverbinding naar de buitenwijken (Voorhof en Tanthof). Daarvoor moest ook Van Leeuwenhoeksingel 4 tegen de grond. Het zou niet voor het laatst zijn dat wonen op deze plek moest wijken voor mobiliteit.

De eerste koper: Nicolaas van der Arend

Degene die in 1897 het huis Van Leeuwenhoeksingel 38 koopt, is Nicolaas van der Arend. Hij betaalt er f 4.500,- voor. Hij is op 20-02-1842 in Delft geboren als zoon van Pieter van der Arend en Magdalena Cornelia Krul. Nicolaas was slijter van beroep. Hij was op 28-04-1869 in Rotterdam getrouwd met Amelia Gruiters, geboren op 25-04-1846 in Gorinchem. Zij kregen één kind dat al op 10-jarige leeftijd overleed.

Volgens de ‘administratie van ingezetenen en inwonenden’ van Delft over de periode 1892 – 1909 hebben zij ook op het adres Van Leeuwenhoeksingel 38 gewoond. Op 26-02-1898 vertrekken zij evenwel alweer naar de gemeente Hof van Delft.

In die tijd heeft het Delftse echtpaar Pieter Baans en Geertruida Minjet in het huis gewoond. Hij was kuiper en zij was vroedvrouw. Zij waren in 1851 in Delft getrouwd. Wanneer zij precies op de Van Leeuwenhoeksingel 38 zijn komen wonen is niet precies bekend. Zij overleden in januari 1901 een week na elkaar. Het is mogelijk dat zij op dit adres zijn overleden.

Nicolaas van der Arend overlijdt minder dan 3 jaar na de aankoop van het pand en wel op 28-04-1900 in de gemeente Hof van Delft. Het huis wordt dan het eigendom van zijn weduwe Amelia. In 1902 verkoopt zij het huis al. Zij staat dan te boek als particuliere (d.w.z. ze werkte niet om in haar onderhoud te voorzien) en wonende in de Hof van Delft. De verkoop vond plaats via een openbare veiling op 10-11-1902 samen met ander onroerend goed van anderen. Uit de aankondiging van de openbare veiling blijkt dat het pand verhuurd was en wel voor f 28,16 per maand tot 01-03-1904. De grondbelasting bedroeg f 25,81 per jaar.

De volgende eigenaar: Wessel Wijnand Adrianus Wissink

De koper van het pand Van Leeuwenhoeksingel 38 op deze veiling in 1902 was Wessel Wijnand Adrianus Wissink, de amanuensis van het gymnasium. Op het laatst moest hij het tot dan hoogst uitgebrachte bod verhogen met 150 gulden om het pand te bemachtigen. Daarmee kwam het koopbedrag op f 3.850,-. Hieruit blijkt wel dat de koop voor Wessel belangrijk was. Een mogelijke reden daarvoor is, dat het gymnasium, waar hij werkte vlakbij stond, aan de overkant van het water aan de Westvest. Hij kon daar met een pondje naar toe of hij moest omlopen.

Figuur 17: Het gymnasium aan de Westvest aan het begin van de 20e eeuw. De tegenover het gebouw liggende stadswal is in 1928 afgebroken toen tramlijn 1 daar moest komen.

Wessel was geboren op 08-03-1855 in Breedenbroek (Gendringen). Hij was op 18-05-1880 in Wisch getrouwd met Grada Willemina Kranen, die op 29-04-1850 in Varsseveld was geboren. Meteen na hun huwelijk zijn zij vanuit de Achterhoek naar Delft gekomen. Van de vier zoons die zij kregen, overleden de eerste drie op zeer jonge leeftijd. Alleen zoon Bernhard Karel, geboren op 24-11-1888 in Delft, bereikte de volwassen leeftijd.

De huurders die bij de koop in 1902 nog in het huis Van Leeuwenhoeksingel 38 wonen, zijn Wilhelmus Willebrordus Mattheus van Brussel en diens vrouw Geertruida van Kan. Willem is geboren in Den Haag en is smid bij de Constructiewerkplaats. Geertruida is geboren in Delft. Zij wonen er van 23-03-1898 tot 08-10-1908. Hun enige dochter is dan al getrouwd. Zij woont eerst met haar man in de Torenstraat in Delft en daarna op Van Leeuwenhoeksingel 50 (dus aan de andere kant van het station). Het ziet ernaar uit dat het huurcontract met het echtpaar Van Brussel – Van Kan (dat volgens het koopcontract uit 1902 tot maart 1904 zou duren) uiteindelijk ruim 4,5 jaar is verlengd.

Vanaf 04-02-1902 wonen er ook de werkman Wilhelmus Franciscus van der Valck (geb. 25-02-1841 in Den Haag) en zijn tweede echtgenote Dorothea Maria Mulder (geb. 04-04-1853 in Amsterdam. Uit zijn eerste huwelijk zijn zes kinderen geboren, maar geen van hen is ouder geworden dan een half jaar. Zijn huwelijk met Dorothea bleef kinderloos en werd in 1914 met een scheiding beëindigd. Op 09-09-1904 waren zij overigens alweer van de Van Leeuwenhoeksingel vertrokken.

Van 24-09-1907 tot 11-09-1908 woonde er ook de Amsterdamse student Johan Willem Ruskamp.

Een maand nadat het gezin Van Brussel – Van Kan het huis uit is, verhuizen de eigenaren (het echtpaar Wissink – Kranen) met hun zoon naar de Van Leeuwenhoeksingel 38 (dat is op 03-11-1908). Hun zoon vertrekt in 1911 alweer naar Den Haag. Zijn ouders blijven er wonen tot 09-08-1921. Gedurende die tijd heeft het echtpaar (inwonende) huurders.

Eerst is dat het echtpaar Petrus Johannes Pieters (uit Amsterdam, geb. 09-03-1869) en Kommertje Jacoba Groenewegen (van Rozenburg, geb. 22-02-1879). Zij zijn op 21-04-1909 in Delft getrouwd en wonen vanaf die datum tot 16-01-1911 op Van Leeuwenhoeksingel 38. Op hun gezinskaart staat bij dit adres de toevoeging ‘boven’. Petrus is portier bij het Burgerlijk Armbestuur.

Daarna woont er de alleenstaande Rudolphus Bos van 18-05-1911 tot 21-02-1912. Hij is geboren op 28-11-1890 in Heerhugowaard en is in zijn tijd in Delft leerling-klerk bij de IJzeren Hollandsche Spoorweg Maatschappij.

Nog een alleenstaande woont er vanaf 26-04-1912. Het is de op 17-11-1892 in Oost-Dongeradeel  geboren Petrus Fluitman. Hij is klerk bij de H.IJ.S.M. en woont er tot 10-10-1913 en gaat dan naar Schiedam.

Vlak daarna, op 21-10-1912, komt een andere klerk van de H.IJ.S.M., Johannes Hoedemaker, er wonen. Hij is op 16-05-1891 in Amsterdam geboren. Hij vertrekt alweer op 06-02-1913 naar een ander adres in Delft.

Een collega van hem, ook dus klerk bij de H.IJ.S.M., Johan Hendrik Horst, geboren op 25-12-1891 te Amsterdam, woonde op dit adres van 28-10-1912 tot 01-09-1913.

Ongeveer in diezelfde maanden woont ook de alleenstaande Gerard Jean Lambert Francot er. Hij is geboren op 21-10-1892 in Eijsden en is ook klerk bij de H.IJ.S.M. Hij woont er vanaf 05-06-1912 en vertrekt op 13-10-1913 naar de Raamstraat in Delft.

En nog een H.IJ.S.M.-klerk: Abraham Abel Wester, geboren op 03-03-1891 te Zwolle. Hij woonde er van 14-12-1912 tot 12-02-1913.

Bij alle zes voorgaande klerken staat op hun alleenstaandenkaart de wed. G.J.C. Roggeveen vermeld in de kolom ‘ten huize van’. Verder onderzoek naar deze weduwe wijst uit dat het moet gaan om Gerritje Leeuwis, de weduwe van de in 1908 overleden Gerhardus Johannes Cornelis Roggeveen. Van haar zijn vooralsnog geen aanwijzingen gevonden in de richting van dit adres, noch dat zij in deze periode in Delft heeft gewoond.

Van 30-09-1913 tot 05-03-1918 wonen er Abraham Dumans (uit Oegstgeest) en zijn vrouw Maria Wilhelmina de Nie (uit Arnhem). Abraham is controleur bij de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij. Hun oudste dochter woont dan nog in Amsterdam (waar het gezin eerder woonde). De andere twee dochters wonen nog bij hun ouders. De middelste dochter Eva Jacoba trouwt in 1916 met Leendert Leendertse Esveld en zij wonen vanaf hun trouwen gedurende een half jaar bij haar ouders in huis. Leendert is loodgieter en monteur bij de Braatfabriek.

Per 30-09-1913 (tot 23-01-1914) woont daar ook de alleenstaande kappersbediende Gerrit Jan Ribbers, geb. 10-02-1891 in Rheden.

Vervolgens komt op 02-03-1914 Jacob Klaas Hoekstra uit Harlingen daar wonen. Hij is klerk / commies bij de H.IJ.S.M. Daarvóór had hij ook al even op nr. 36 gewoond.

Op 26-05-1914 trekt er nog een kamerbewoner in op Van Leeuwenhoeksingel 38. Het is de in 1894 in Delft geboren assistent laborant bij de oliefabriek Nicolaas Cornelis Visser. Op 15-12-1914 vertrekt hij alweer.

Daarna woont Jan Wiersma er. Hij is geboren in 1888 in Baarderadeel en is leraar aan de ambachtschool. Hij woont er precies een jaar: van 26-04-1915 tot 26-04-1916.

Van 09-02-1917 woont er de student Uko Steven Folker Joustra. Hij is geboren op 10-10-1894 in Meppel. Op 05-03-1918 verhuist hij – samen met het gezin van Abraham Dumas – naar de Jan Willem Frisostraat 44 in Delft.

Na het vertrek van het gezin Dumans wonen er van  11-03-1918 tot 26-03-1919 Willem Frederik van den Berg en diens vrouw Derkje Weenink. Zij zijn afkomstig uit Zutphen en hebben twee jonge kinderen.

Daarna komt op 17-04-1919 het uit Sas van Gent afkomstige echtpaar Arie Daniel Visser (geb. 03-12-1884) en Maria Louisa Stouthamer (geb. 01-11-1882) er wonen. Hij is bevolkingsagent (ambtenaar die de bevolkingsregisters controleert) en hoofdcommies bij de gemeentesecretarie. Ze zijn in 1910 getrouwd en hebben twee dochters. Maria Louisa overlijdt op 07-09-1927. Arie Daniel blijft op Van Leeuwenhoeksingel 38 wonen en hertrouwt op 25-09-1929 in Rotterdam met de 25-jarige Rotterdamse Dingena Johanna Koster. Uit dit tweede huwelijk wordt in 1932 een zoon geboren. Nog weer twee jaar later (op 11-10-1934) verhuizen zij naar de Rotterdamseweg.

De eigenaren, Wessel Wissink en Grada Kranen, vertrekken op 09-08-1921 naar de Van Speijkstraat 181 in Den Haag. Zij overlijden respectievelijk in 1925 en 1933, beide in Den Haag. Zoon Bernhard Karel Wissink was al in 1911 naar Den Haag verhuisd en in 1915 in Wisch getrouwd en lijkt zich daar ook gevestigd te hebben. ‘Terug’ dus naar de omgeving waar zijn ouders vandaan kwamen. Hij was dus in 1933 de enig overgebleven eigenaar. Hij blijkt het huis tot 1956 in bezit te hebben gehad.

Tweede intermezzo: Van Leeuwenhoeksingel in beeld

Het (inmiddels oude) station van Delft lag aan de Van Leeuwenhoeksingel. Formeel was dit nr. 41. Meestal heette die plek gewoon ‘het Stationsplein’. Ten zuiden van het station was een opgang naar perron 1 (het spoor lag immers op een talud) en ten zuiden van die opgang begon de (uiteindelijk) aaneengesloten rij herenhuizen. Het karakteristieke hoekpand was nr. 40 en daarna telde het af met zowel even als oneven nummers. Nr. 38 was dus het derde pand van deze rij vanaf het station gezien.

Figuur 18: De huizen aan de Van Leeuwenhoeksingel waren zo mooi, dat je ze op een ansichtkaart zette. Hier in 1905.

Figuur 19: Of nog mooier: ingekleurd.
Figuur 20: De ‘zusterpanden’ nr. 37 (links) en 38 in 1948.

Figuur 21: De eerste huizen van de rij met het station in 1956.

Figuur 22: In 1967 vanaf de andere kant van het station gezien.
Figuur 23: De singel gezien naar het noorden in april 1974. Aan het eind van de rij herenhuizen is het torentje van het stationsgebouw te zien.
Figuur 24: In 1997 werd een tweede deel van de gebouwen van de voormalige Constructiewerkplaatsen gesloopt. Op die plak werd het busstation vergroot en een fietsenkuil aangelegd.
Figuur 25: De Van Leeuwenhoeksingel in 2001.

Figuur 26: Nummer 38 in 2005.

Figuur 27: De situatie in december 2008. De sloop wordt voorbereid. Nr. 39 is al dichtgetimmerd.
Figuur 28: Bijna ten onder. Najaar 2009.

Bewoning tussen 1921 en 1956

De zoon van het echtpaar Wissink-Kramer, Bernhard Karel Wissink, verkoopt het huis aan de Van Leeuwenhoeksingel 38 pas in 1956.

Er zijn in de periode van 1921 tot 1956 meerdere kortstondige bewoners, allemaal dus huurders en  onderhuurders. Het patroon lijkt steeds: een echtpaar als hoofdhuurder, meestal met kinderen, en één of meer alleenstaanden (veelal studenten) als onderhuurders.

Hiervoor werd al vermeld dat Arie Daniel Visser er met zijn respectievelijke echtgenotes er woonde tot ver in 1934.

In die jaren woont er in twee perioden ook de in 1903 in Utrecht geboren student Pieter Anton Gerardus Volkers. Dat is 11-11-1921 tot 06-11-1924 en van 01-10-1927 tot 19-11- 1928. Beide keren wordt op zijn alleenstaandenkaart bij de gemeente A.D. Visser genoemd in de kolom ‘ten huize van’.

In 1923 woonde er een klein half jaar (van 10-04-1923 tot 18-09-1923) de student Bastiaan Heuff, geboren op 01-09-1903 in Gorinchem. Ook op zijn alleenstaandenkaart staat dat hij woont ten huize van A.D. Visser.

Van 25-10-1924 tot 13-12-1927 woont de student Emile Edmond Julien Melotte op dit adres. Hij is geboren op 16-03-1907 in Meersen (L). Ook hij woont ten huize van A.D. Visser.

Johanna Clasina Constance Maria Ficq woont er van 26-01-1925 tot 12-05-1926. Zij is in 1882 in Rotterdam geboren en weduwe van jonkheer Maximilianus Joannes Baptista Gerardus Maria Joseph le Grelle. Johanna had geen kinderen

Op 08-11-1928 komt de op 14-02-1909 in Amersfoort geboren student Albert August Dros er wonen. Hij vertrekt weer op 16-09-1930. Weer op zijn alleenstaandenkaart: ten huize van A.D. Visser.

Van 26-10-1934 tot 28-05-1935 (het echtpaar Visser is dan inmiddels vertrokken) woont Martinus Alsemgeest er met zijn vrouw Elisabeth Gerarda Maria van Velzen en 6 kinderen.

Op 06-09-1935 verhuist het echtpaar Wilhelmus van Rooijen (1876, Schiedam) en Bernardina Warnaar (1883, Den Bosch) naar dit adres. Zij zijn in 1908 in Rotterdam getrouwd en hebben 2 kinderen. De zoon lijkt al het huis uit, maar de dochter woont waarschijnlijk nog wel bij haar ouders. Zij trouwt in Delft in 1945. Het is niet bekend tot wanneer zij hier hebben gewoond. Wilhelmus is op 13-09-1956 in Delft overleden. Bernardina overlijdt in 1965 in Rijswijk.

Vanaf 29-10-1935 woont de in Bandoeng (N.O.I.) geboren student Daniel Charles Rigterink op nr. 38. Hij woont daar ongeveer een half jaar tot 13-03-1936. Op zijn alleenstaandenkaart staat dat hij woont ten huize van W. van Rooijen.

Even later, vanaf 01-09-1936, woont er een andere student. Dat is de in Blitar (N.O.I.) geboren Paul Henri Johan Sayers. Ook ten huize van W. van Rooijen. Op zijn alleenstaandenkaart staat geen vertrekdatum vermeld.

Nieuwe kadastrale opmeting

In 1949 werd de hele Van Leeuwenhoeksingel opnieuw opgemeten en uitgetekend. De reden hiervoor lijkt te zijn de vorming van een nieuwe kadastrale sectie voor dit deel van de stad. Het was sectie A (de perceelnummers beginnen allemaal met die A) en het wordt sectie O. Onderstaand kaartje is het resultaat.

Figuur 29: Kadastrale opmeting Van Leeuwenhoeksingel in 1949.
Figuur 30: Detail van de vorige afbeelding: nummer 38 en omgeving.

Het perceel waarop het huis nr. 38 staat is vanaf dat moment: O997.

In 1949 bestaat de sloot achter de tuinen nog. Ook het ‘achterom’ is nog aanwezig. Beiden zouden later plaats maken voor de bouw van de stationsfietsenstalling direct aansluitend op de tuinen.

En Martinus Petrus Huisman koopt.

Op 23-07-1956 koopt Martinus Petrus Huisman het pand van Bernhard Karel Wissink. Huisman is in 1914 geboren in Delft en in 1939 ook in Delft getrouwd met Geertruida Hermina Josina van Wingerde, die in 1916 in Delft werd geboren. Zij stammen allebei uit families die al meer dan een eeuw in Delft wonen.

Geertruida heeft enige tijd in huis gewoond bij haar oom Gerardus Cornelis van Wingerde en tante Alida Maria van der Heijden. Deze oom en tante woonden in het ernaast gelegen huis Van Leeuwenhoeksingel 37. Hun dochters José (Josina Theodora met haar man Ben Loog) en Rie (Maria Jacoba) woonden daar in de jaren ’80 en ’90 nog. Geertruida woonde met haar man dus bijna 25 jaar lang naast twee nichten van haar.

Het echtpaar Huisman-van Wingerde had een aantal kinderen. Ook hebben er meerdere studenten bij hen in huis gewoond.

In 1980 verkocht Martinus Petrus Huisman het huis aan een woongroep.

De strijd om het behoud

Hiervóór werd beschreven hoe de eerste panden van de Van Leeuwenhoeksingel (de nrs. 1 t/m 3) werden gesloopt om plaats te maken voor een weg en een trambaan.

Figuur 31: De kadastrale situatie aan de Van Leeuwenhoeksingel vóór 1993.

In de jaren ’90 van de vorige eeuw werd het voor de bewoners steeds duidelijker dat de gemeente bezig was met plannen om ook de rest van de singel te slopen om de aanleg van een spoortunnel mogelijk te maken.

De bewoners legden zich niet zonder meer hierbij neer. Onder meer toonden ze aan dat er (technische) mogelijkheden waren om de treintunnel aan te leggen én de rij herenhuizen te laten staan. Ook wezen zij op de cultuurhistorische waarde van deze rij huizen.

Maar waar de gemeente naar de bewoners toe nooit eerlijk over is geweest, is dat het verdwijnen van de Van Leeuwenhoeksingel vooral financiële redenen had. De treintunnel ging de gemeente heel veel geld kosten. Veel meer dan eigenlijk verantwoord was. En er was een manier om een deel van geld terug te verdienen. Door gedeeltelijk op, maar vooral rond die tunnel bovengronds veel nieuw vastgoed te laten ontwikkelen. En daarvoor stond dat rijtje ‘oude huizen’ fors in de weg.

De gemeente kon het ook gemakkelijk winnen van de bewoners, wat ze had veel meer financiële en juridische middelen en veel meer tijd dan de bewoners. Onder toenemende druk werden steeds meer huizen door de gemeente opgekocht. Totdat de laatste twee panden via de rechter alsnog werden verworven.

De bewoners en de gemeente bereikten op één punt nog wel een overeenkomst: er zou een boek gemaakt worden dat de rijke historie van deze omgeving beschreef. Dat boek ‘De Delftse Stationsbuurt, wonen, leven en werken naast het spoor’ werd geschreven door de historica Ingrid van der Vlis.

Uiteindelijk werd de rij herenhuizen in 2009 gesloopt. Het oude stationsgebouw is als enige gebouw in de hele omgeving bewaard gebleven. Daarin werd na jaren van forse bouwactiviteiten in deze omgeving een Italiaans restaurant gevestigd.

De mooie, statige, herkenbare rij herenhuizen heeft plaatsgemaakt voor anonieme nieuwbouw van dertien in een dozijn. Dat is vooruitgang.