Herkomst van de familie Van de Meent

De herkomst van de familie en de familienaam Van de Meent.

Inhoud:

  1. Voorwoord / aanleiding
  2. Leeswijzer
  3. Terug tot ca. 1800
  4. Eerste verhaal van opa Gerrit Jan
  5. Tweede verhaal van opa Gerrit Jan
  6. Verder terug tot ca. 1650
  7. Nog verder tot ca. 1550
  8. De roots van de familie Van de Meent
  9. En weer terug naar Oudshoorn

Bijlage:  Losse feiten

1. Voorwoord / aanleiding

Op 7 maart 2007 overleed Jannie van de Meent. Zij had tijdens haar leven het middelpunt gevormd van de familie Van de Meent in Alphen aan den Rijn. Na haar begrafenis was de familie, vooral bestaande uit neven en nichten, bij elkaar. Er werd geconstateerd dat de begrafenissen van ooms en tantes tot dat moment de enige gelegenheden waren, waarbij alle neven en nichten elkaar zagen. Het was niet moeilijk te voorspellen dat er zich niet veel van die gelegenheden meer zouden voordoen. Daarom werd besloten om jaarlijks rond de verjaardag van tante Jannie (21 januari) een familiebijeenkomst te organiseren. Neef Jaap van de Meent nam het initiatief en organiseerde vervolgens jaarlijks deze bijeenkomsten.
Tijdens die bijeenkomsten vertelde ik vaak aan individuele neven en nichten verhalen over de familie Van de Meent. Verhalen die zich bij mijn genealogisch onderzoek hadden ontvouwd. Daarop werd altijd enthousiast gereageerd, meestal met een opmerking als “Dat heb ik nooit geweten”. Dat bracht mij op het idee deze verhalen in hun historische verband te plaatsen en het “hele verhaal” op zo’n familiebijeenkomst aan de aanwezige neven en nichten te presenteren. Dat heb ik gedaan in januari 2014. Dat leidde opnieuw tot enthousiaste reacties en de vraag of dit verhaal ook op papier stond. Dat was niet het geval. Toen die vraag van meerdere kanten kwam, heb ik toegezegd het verhaal op te schrijven. Dit document is daarvan het resultaat. Ik heb daarin de vrijheid genomen om wat details toe te voegen, die ik in de presentatie had weggelaten.

Hans Groeneveld

Delft, december 2014

 

2. Leeswijzer

In dit document ga ik dus op zoek naar de herkomst van de familie Van de Meent en naar de herkomst van de familienaam. Als uitgangspunt neem ik opa Gerrit Jan van de Meent. Elders op deze website is de kwartierstaat te vinden van de kinderen van Gerrit Jan en zijn vrouw Jacoba van der Meer. In die kwartierstaat staan alle voorouders vermeld (in rechte lijn) tot 5 generaties (ca. 1750) terug. Gegeven het doel van de zoektocht beschrijf ik de lijn van de respectievelijke vaders Van de Meent (vanaf Gerrit Jan, steeds bovenaan in de kwartierstaat). De rest van de kwartierstaat blijft hier onbesproken.

In een eerste stap ga ik terug in de familie tot ca. 1800. Daar aangekomen kan ik twee verhalen uitpluizen, die opa Gerrit Jan soms vertelde aan zijn kinderen en kleinkinderen. Vervolgens volg ik de vaderlijke lijn verder terug tot ca. 1650 en zet daarna een derde stap terug tot 1550. Dan zijn we bij de roots van de familie Van de Meent en kan ik die beschrijven. Tot slot voert een onverwachte wending terug naar Oudshoorn (nu Alphen aan den Rijn), waar de meeste kinderen en kleinkinderen van Gerrit Jan en Jacoba zijn geboren.

In de bijlage vermeld ik nog wat losse feiten, die niet goed in het doorgaande verhaal passen, maar die ik wel vermeldenswaard vond.

3. Terug tot ca. 1800

De onderstaande stamreeks (voorouders in vaderlijke lijn) gaat vanaf opa Gerrit Jan drie generaties terug tot ca. 1800 (figuur 1).

Figuur 1: Het eerste deel van de stamreeks Van de Meent: terug tot ca. 1800.

Gerrit Jan van de Meent en Jacoba van der Meer

Gerrit Jan van de Meent is op 11 november 1899 in Ede getrouwd met Jacoba van der Meer. Jacoba was op dat moment zwanger. Van hun beider ouders is dan nog alleen de vader van Gerrit Jan overleden.

Figuur 2: Ondertekening van de huwelijksakte van Gerrit Jan van de Meent en Jacoba van der Meer (met getuigen).

Zijn moeder ondertekent de huwelijksakte niet “geen schrijven geleerd hebbende”. De beide “comparanten” en de beide ouders van de bruid tekenen wel.

Het is bekend hoe opa Gerrit Jan van de Meent vanuit Bennekom in de Ridderbuurt in Oudshoorn belandde. Het is een verhaal dat door hemzelf aan zijn kinderen is verteld. Gedeeltelijk bevestigd en aangevuld door de kinderen van zijn werkgever in de Ridderbuurt: Pau den Hertog, boer aan de Ridderbuurt in Oudshoorn.

1877_10_22_gerrit_jan_van_de_meent

Figuur 3: Gerrit Jan van de Meent

1881 12 15 Jacoba van der Meer

Figuur 4: Jacoba van der Meer

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gerrit Jan en Jacoba woonden vanaf hun huwelijk in bij de ouders van Jacoba in de kleine arbeiderswoning aan de Hullenberglaan 1 in Bennekom. Een schilderijtje van die (later tot monument verklaarde) arbeiderswoning (zie figuur 5) heeft (tot haar dood) in het huis gehangen van “tante” Jannie van de Meent. Eind 1899 werd in Bennekom het eerste kind van Gerrit Jan en Jacoba geboren: Cornelis (“oom” Kees). Jacoba was de oudste van op dat moment acht kinderen (waarvan er een was overleden) en in 1901 beviel haar moeder nog van haar jongste kind. Het was dus heel erg vol in het arbeidersboerderijtje.

Toen zag Gerrit Jan in 1901 in het weekblad “De Boerderij” een advertentie van een boer aan de Ridderbuurt in Oudshoorn (Pau den Hertog). Een daggelderswoning was beschikbaar. Dat laatste gaf de doorslag. Gerrit Jan schreef een sollicitatiebrief met daarin de zin: “Ik ben groot en sterk en verzet veel werk”. Dat leverde hem de baan (en de woning) op.

Gerrit Jan, Jacoba en de kleine Kees reisden per trein met hun weinige bezittingen naar Alphen. Daar werden zij met paard en wagen opgehaald door een knecht van de nieuwe baas. Dat was het begin van de familie Van de Meent in Oudshoorn (later dus Alphen aan den Rijn).

BENNEK01

Figuur 5: Schilderij van de tot monument verklaarde arbeiderswoning aan de Hullenbergseweg 1 te Bennekom.

Gerrit Jan kwam zelf niet uit Bennekom, maar uit Leersum (ca. 15 km westelijker). Hoe hij Jacoba heeft leren kennen is niet bekend. Hij is geboren op 22 oktober 1877. Zijn ouders waren Cornelis van de Meent en Hendrika van Voskuijlen. Waar Gerrit Jan in Leersum geboren is en woonde, is niet met zekerheid vast te stellen. In zijn geboorteakte wordt geen adres genoemd. Wel in dat van de drie oudere kinderen in het gezin: “binnen deze Gemeente in huis Wijk B, No 27”. (Bij de middelste van die drie is het Wijk B, No 28, maar dat zal wel een vergissing zijn.) Een dergelijke adresaanduiding was gebruikelijk in die tijd. Waarschijnlijk was wijk B het meest noordelijke deel van de gemeente Leersum. (Informatie van de Historische Vereniging van Leersum op basis van een kaart uit 1949 leert dat toen wijk B1 het bosgebied betrof ten noorden van de Utrechtse baan, alsmede het Leersumse veld. Daar stonden nauwelijks huizen, behalve bij de ingang van het Leersumse veld. Wijk B2 was toen het gebied ten noorden van de Rijksstraatweg en ten westen van de Maarsbergseweg. De kaart van 1949 bevat geen huisnummers. Het vermoeden is dat het “huis Wijk B, No 27” aan de Maarsbergseweg stond, maar daar is geen bewijs van.)

Zijn vader overleed in 1882 toen Gerrit Jan 5 jaar oud was. Er waren toen zes kinderen in het gezin. De jongste overleed, nog geen jaar oud, drie maanden na haar vader. Moeder Hendrika bleef in arme omstandigheden met vijf kinderen achter. Hoe het Hendrika verging na het overlijden van haar man is ook uit overlevering bekend. Hendrika werd als arme weduwe in een “gesticht” geplaatst. Dat was in die tijd een gangbare naam voor een sociale instelling. Waarschijnlijk was het een “werkinrichting tot wering van bedelarij”, in dit geval gevestigd in Doorwerth bij Arnhem. Zij moest daar werken: verven van katoenen stoffen. De ruwe garens maakten de huid van haar handen kapot. De verfstoffen waren giftig en de bloedvergiftiging die daarvan het gevolg was, betekende uiteindelijk haar dood in 1916.

640px-Elias_Spanier_-_Leve_mijnheer_Van_Houten

Figuur 6: Cartoon ter gelegenheid van de kinderwet van Van Houten.

Voor Gerrit Jan en zijn jongere zusje Jannigje gaf het overlijden van hun vader ook een positieve wending aan hun leven. In 1874 was het kinderwetje van Van Houten aangenomen. Die wet verbood dat kinderen jonger dan 12 jaar in fabrieken werkten, hetgeen tot die tijd heel gebruikelijk was. Als die wet er niet was geweest, was fabriekswerk vast het lot geweest van Gerrit Jan en Jannigje. Door vooral arme ouders werd nog vaak met deze wet de hand gelicht. De extra inkomsten uit het werk van de kinderen was immers meer dan welkom. Nu vielen Gerrit Jan en Jannigje evenwel onder de zorgen van een staatsinstelling en die moest natuurlijk wel de wet gehoorzamen. Zij kwamen op school terecht en leerden lezen en schrijven (in tegenstelling tot hun oudere broers en zus).

 

Cornelis van de Meent en Hendrika van Voskuijlen

Gerrit Jan’s vader, Cornelis, is ook geboren in Leersum en wel op 9 november 1840. In Cornelis’ geboorteakte staat bij diens vader, Hendrik, vermeld: “wonende in deze gemeente, op Ginkel N 4”: huis nummer 4 in het buurtschap Ginkel in het noorden van Leersum. Niet te verwarren met het heidegebied in de gemeente Ede met dezelfde naam. Cornelis van de Meent en Hendrika van Voskuijlen trouwden op 14 november 1873 in Leersum. Ten tijde van het sluiten van dit huwelijk is van de vier ouders alleen Cornelis’

Figuur 7: Ondertekening van de huwelijksakte van Cornelis van de Meent en Hendrika van Voskuijlen (met getuigen).

Figuur 7: Ondertekening van de huwelijksakte van Cornelis van de Meent en Hendrika van Voskuijlen (met getuigen).

vader nog in leven. Zonder dat dit expliciet wordt vermeld, tekent hij de akte niet. Beide echtgenoten wel; zij konden dus schrijven. Dat is opmerkelijk, want van Hendrika wordt, zoals hiervoor is vermeld, bij het huwelijk van zoon Gerrit Jan in 1899 vermeld, dat zij niet heeft leren schrijven. Mogelijk was er toen (in 1899) met Hendrika iets anders aan de hand, waardoor zij haar handtekening niet zette onder de huwelijksakte van haar zoon. Had zij toen al last van haar handen als gevolg van haar werk?

Ook Hendrika was tijdens het sluiten van haar huwelijk zwanger. Drie weken later beviel zij van haar eerste kind. Hendrika was geboren in De Glind, een buurtschap onder Barneveld. Van Cornelis worden de beroepen arbeider en landbouwer vermeld. Cornelis was dus boerenarbeider, net als zijn zoon Gerrit-Jan.

 

Hendrik van de Meent en Jannigje van Ginkel

Ook Cornelis’ vader, Hendrik, was boerenknecht / landbouwer. Hij is geboren op 6 april 1810 in Amerongen. Hij trouwde op 16 mei 1835 in Woudenberg met zijn nicht Jannigje van Ginkel. Uit de huwelijksakte blijkt dat Hendrik “aan de verplichtingen der Nationale Militie tot op heden had voldaan”. In de huwelijksakte staat niet expliciet dat Hendrik en

Figuur 8: Ondertekening van de huwelijksakte van Hendrik van de Meent en Jannigje van Ginkel (met getuigen).

Figuur 8: Ondertekening van de huwelijksakte van Hendrik van de Meent en Jannigje van Ginkel (met getuigen).

Jannigje neef en nicht zijn of dat er daarvoor “compensatie” is verleend. Wel wordt van een van de getuigen vermeld dat hij “neef der beide Contractanten” is. De huwelijksakte besluit met “verklarende de eerste Contractant en zijne toestemming gevende moeder niet te kunnen schrijven”. De vader van Hendrik ondertekent wel, maar met een erg onbeholpen handschrift.

Waarschijnlijk was Jannigje bij het sluiten van haar huwelijk ook zwanger. Maar dat was dan nog zeer pril. Zeven maanden na de trouwdag werd het eerste kind geboren, dat evenwel maar 2 weken heeft geleefd.

Jannigje kwam ook uit Amerongen. Zij is geboren in het buurtschap De Groep. Jannigje en Hendrik kregen zes kinderen, waarvan er drie binnen zes weken na de geboorte overleden. Jannigje overlijdt in 1872 in haar woning: Leersum, Wijk B, no. 27. Drie jaar later hertrouwt Hendrik (hij is dan 65) in Maarn met zijn achternicht Jannigje van de Meent, weduwe van de vier jaar daarvoor overleden Jan van de Haar. Hendrik overlijdt in 1891.

Reijer van de Meent en Teunisje van de Peppel

Als laatste in deze beschrijving van het eerste deel van de stamreeks komt Hendriks vader Reijer aan de orde, de man van de moeizame handtekening van figuur 8. Hij werd gedoopt op 28 augustus 1763 in Amerongen. Bijna dertig jaar later trouwt hij (ook in Amerongen) met Teunisje van de Peppel, geboren in Wageningen, maar wonende in Renswoude. Naar goed gebruik in deze stamreeks was ook zij zwanger. Twee maanden later werd hun oudste zoon Jan geboren (in Rhenen). Hendrik was in 1810 de achtste (van in totaal elf, waarvan er twee jong overleden).

In de afbeelding van het eerste deel van de stamreeks (figuur 1) staan bij de namen van Hendrik en Reijer tussen haakjes de namen Reijers en Reijersen. Dat wordt verderop in dit document verklaard.

Opmerkelijk is dat Reijer bij de doop van zijn eerste twee kinderen (beide gedoopt in Rhenen) genoteerd wordt als Reijer Reijersen van de Haar. Of hij gebruikte hier de achternaam van zijn moeder of hij noemde zich naar de streek waar hij toen woonde: het gebiedje De Haar in het noorden van Amerongen. Een broer en een zus van hem houden die achternaam Van de Haar aan. Reijer en zes andere broers en zussen houden het (later) op Van de Meent.

 

4. Eerste verhaal van opa Gerrit Jan

We zijn nu aanbeland rond het jaar 1800. Dat was de tijd dat Napoleon (eerst via zijn broer Lodewijk, later rechtstreeks) over Nederland regeerde. Twee verhalen, die opa Gerrit Jan aan zijn kinderen vertelde, moeten we in deze tijd plaatsen.

Het eerste verhaal gaat over één van de voorvaders, die in het leger van Napoleon heeft gediend. Hij was mee op de veldtocht naar Rusland. Bij één van de vreselijke veldslagen tijdens die tocht heeft hij de jas en de papieren van een juist overleden maat van hem meegenomen. Vanaf dat moment ging hij met de naam van die maat door het leven.

Figuur 9: "Artist impression"van een veldslag van Napoleon in Rusland.

Figuur 9: “Artist impression”van een veldslag van Napoleon in Rusland.

Wat de beweegredenen van deze soldaat zijn geweest voor deze actie, geeft het verhaal niet weer. Er is een versie die suggereert dat hij iets op zijn kerfstok had uit de tijd voor zijn indienst­treding. Hij zou eerst naar Friesland zijn getrokken en daarna dienst hebben genomen bij het leger van Napoleon, allebei om zijn straf te ontlopen. Een andere identiteit kwam dan wel zo goed uit. Maar het kan natuurlijk ook zijn dat de overleden maat een hogere rang had (en dus meer soldij kreeg) dan hij.

Het wel of niet waar zijn van dit verhaal is voor het hier beschreven onderzoek erg relevant. Als dit verhaal waar is, dan zijn de voorvaders Van de Meent van vóór de Napoleontische tijd immers niet de natuurlijke (overgroot-)ouders van de voorvaders Van de Meent van ná Napoleon.

Om dit verhaal te checken is het relevant te weten dat Napoleon in die tijd niet meer werkte met huurlingen, zoals tot die tijd overal gebruikelijk was. Tijdens zijn veldtocht in Noord-Italië (eind 18e eeuw), was hij het vechten met huurlingen meer dan zat. Vaak trokken de vrouwen en kinderen van de huurlingen achter het leger aan. Daar kwam immers het geld binnen. Dat gaf allerlei toestanden, waar Napoleon niet op zat te wachten. Bovendien was je van een huurling nooit zeker. Als die geen zin meer had (of elders meer kon verdienen) was hij weg. Halverwege de 18e eeuw was het idee van een leger van dienstplichtigen ontwikkeld. Napoleon voerde dat meteen in en werkte niet meer met huurlingen. Bijkomende omstandigheid was natuurlijk dat hij moest weten wie hij moest oproepen. Daartoe moest er een registratie bestaan van iedereen, die in zijn rijk woonde. Als gevolg van alle roerige ontwikkelingen van die tijd werd in 1812 ook in Nederland zowel de dienstplicht als de Burgerlijke Stand ingevoerd.

Conclusie: als er een Van de Meent in het Napoleontische leger gediend heeft en met dat leger naar Rusland is getrokken, kan dat niet als huurling geweest zijn. Want Napoleon bediende zich toen niet meer van huurlingen.

In het voorjaar van 1812 werden alle Nederlanders die in 1788 geboren waren, opgeroepen zich te melden voor het leger. Hendrik van de Meent is geboren in 1810 en was dus (ruim) te jong. Zijn vader Reijer was geboren in 1763 en was dus (ruim) te oud.

Conclusie: als er een Van de Meent in het Napoleontische leger gediend heeft, was dat niet één van de voorvaders Van de Meent in de directe lijn via de dienstplicht, want daarvoor waren ze of te jong of te oud.

Maar er was nog een manier waarop je in het leger van Napoleon kon komen. Als iemand via de dienstplicht het leger in moest en hij (of zijn familie) had veel geld en hij kon iemand vinden die tegen betaling als vervanger (remplaçant) het leger in wilde, dan kon dat. Voorwaarde was wel dat deze remplaçant niet ouder dan 35 jaar was. En Reijer van de Meent was in 1812 al 48 jaar oud.

Conclusie: als er een Van de Meent in het Napoleontische leger gediend heeft als remplaçant, was dat niet één van de voorvaders in directe lijn, want die was daarvoor te oud of te jong.

Op basis van deze redeneerlijn kan het niet zo zijn, dat een Van de Meent in de directe lijn in het leger van Napoleon gediend heeft. Hoewel het een logische redenering is, voelt dit toch als een nogal indirecte bewijsvoering.

Figuur 10: Heeft een Van de Meent ooit zo'n (soort) uniform aangehad?

Figuur 10: Heeft een Van de Meent ooit zo’n (soort) uniform aangehad?

Maar er is nog een manier om er achter te komen of één van de voorvaders Van de Meent gediend heeft in het Napoleontische leger. De militairen die dienden in het leger van Napoleon werden nauwkeurig bijgehouden in de registers van het “Grande Armée”. Deze registers liggen heden ten dage in het Chateau Vincennes in Parijs. Maar deze registers zijn ook gefotografeerd en deze foto’s zijn op internet te bekijken. Daarbij zijn twee gelukkige omstandigheden. De Nederlanders werden in afzonderlijke eenheden (compagnieën) ondergebracht (en dus geadministreerd) en deze registers bevatten indexen op de eerste letter van de achternaam. De “Nederlandse eenheden” van het Grande Armée waren: het 123e, 124e, 125e en het 126e regiment linie-infanterie, het 33e regiment lichte infanterie, het 3e regiment gardegrenadiers, het 2e regiment lichte garde lansiers, het 11e regiment huzaren en het 14e regiment kurassiers. In totaal “slechts” 9 regimenten. De registers van deze regimenten omvatten zo’n 20 boeken. In de indexen van deze boeken is onder de letter M geen Van de Meent te vinden. Ook is gezocht onder de letter D en de letter V, want je weet maar nooit hoe een naam als Van de Meent in een Frans register wordt genoteerd. Daar hetzelfde resultaat: geen Van de Meent. (Ook is – met negatief resultaat – gezocht onder de letter R; de reden daarvan zal later blijken.)

De conclusie moet dus zijn: het verhaal van opa Van de Meent over de voorvader in het leger van Napoleon gaat niet over een voorvader in de rechte lijn en is hoogst waarschijnlijk helemaal niet waar.

 

5. Tweede verhaal van opa Gerrit Jan

Het tweede verhaal van opa Gerrit Jan, dat in het kader van dit onderzoek relevant is, is niet zozeer een verhaal als wel een stelling of een mededeling. Hij zei soms dat de familie Van de Meent eigenlijk Reijerse had moeten heten. Een nadere onderbouwing van die stelling is niet bekend.

Om dit verhaal te doorgronden, moeten we wat meer weten over het gebruik van achternamen vóór en ná Napoleon. We hebben al gezien dat Napoleon de Burgerlijke Stand invoerde. Concreet hield dat in dat iedereen een vaste achternaam diende te hebben en dat geboorten, huwelijken en sterfgevallen bij de lokale overheid aangemeld en ingeschreven moesten worden.

Dat wil niet zeggen dat er vóór Napoleon geen achternamen waren. Die waren er vaak wel, maar daar werd tamelijk losjes mee omgegaan. En de gebruiken daarmee verschilden van streek tot streek. Als er een achternaam werd gebruikt, was dat vaak geen vaste achternaam. Soms veranderde iemand van achternaam of gingen de kinderen door met een andere achternaam (bv. die van hun moeder). Soms had iemand twee achternamen, die hij gebruikte zoals het uitkwam.

Wel was vóór 1811 het gebruik van zogenoemde patroniemen algemeen. Men plakte de voornaam van de vader achter de eigen voornaam, meestal met een achtervoeging als –zoon, –sz of –s. Soms hanteerden vrouwen de achtervoeging –dochter, -dr of -dt. Pieter de zoon van Gerrit was Pieter Gerrits. Marretje de dochter van Jacob was Marretje Jacobs. Dat was in de veelal kleine gemeenschappen van die tijd vaak voldoende om ze van de andere Pieters en Marretjes te onderscheiden. Maar ook het gebruik van patroniemen werd niet consequent gedaan. Soms nam men het patroniem van hun vader over en noemden ze zich dus naar hun grootvader. Soms deden ze gewoon allebei (zodat ze drie namen gebruikten; we krijgen daarvan nog een voorbeeld te zien).

Bij de doop kreeg een kind zijn of haar voornaam. In de dagelijkse praktijk werd het patroniem gebruikt, om onderscheid te maken met anderen met dezelfde voornaam. Als dat ook nog niet genoeg was, bijvoorbeeld omdat er in de omgeving nog iemand anders was met dezelfde voornaam en hetzelfde patroniem, werd een nadere aanduiding gebruikt. Dat kon bijvoorbeeld zijn de naam van de boerderij waar iemand woonde, zijn beroep of de plaats waar hij vandaan kwam. In sommige streken raakte die “nadere aanduiding” algemeen in gebruik. In andere streken hield men het bij alleen het patroniem. Patroniemen en “nadere aanduidingen” hadden in ieder geval geen formele status, zoals onze huidige achternamen. Eén persoon was bij de diverse formele gebeurtenissen in zijn leven vaak niet consequent was in de wijze waarop hij zichzelf noemde. Met of zonder patroniem, met of zonder “nadere aanduiding”, meer dan eens in de loop van een leven met verschillende “nadere aanduidingen”.

Toen Napoleon de Nederlanders verplichtte een vaste achternaam te kiezen, kozen veel mensen hun patroniem als achternaam. We spreken in zo’n geval van een versteend patroniem. Achternamen als Michels, maar ook het Friese Adema zijn daarvan voorbeelden. Anderen kozen hun “nadere aanduiding” als achternaam. Tevens was het eeuwenoude gebruik van patroniemen niet meteen afgelopen met de invoering van de Burgerlijke Stand. Veel mensen bleven zich van hun patroniem bedienen, soms met, soms zonder hun “echte” achternaam.

Een voorbeeld van het na 1811 door elkaar gebruiken van een achternaam (zonder patroniem) en een patroniem (zonder achternaam) is de hiervoor genoemde Hendrik van de Meent. Hij noemt zich bij de meeste officiële gelegenheden (zoals de geboorteaangiften van zijn kinderen en hun huwelijken) Hendrik van de Meent. Deze achternaam werd vóór hem ook door zijn vader en diens vaders gebruikt (dan meestal samen met hun respectievelijke patroniemen). Er zijn zeker 11 documenten waarin Hendrik met de naam Van de Meent vermeld staat. Bij (zeker) drie gelegenheden (zijn beide huwelijken en zelfs nog het overlijden van zijn tweede vrouw in 1909) staat hij als Hendrik Reijers geboekstaafd. Vandaar de toevoeging van het patroniem Reijers in zijn naam in figuur 1.

Opmerkelijk is dat twee van de broers van Hendrik door het leven gingen met de achternaam Reijerse en deze achternaam doorgaven aan hun kinderen. Eén broer (naast Hendrik) en zijn zussen voerden de naam Van de Meent. Het had dus in ieder geval weinig gescheeld of de familie Van de Meent had Reijerse geheten. Hendrik had daarvoor alleen maar zijn twee broers hoeven te volgen. Daarmee is nog niet gezegd dat de naam Reijerse beter of terechter is dan Van de Meent, zoals de opmerking van opa Gerrit Jan wil doen geloven.

De vader van Hendrik, Reijer, heeft als gezinshoofd in 1811 of 1812 op het gemeentehuis van zijn woonplaats moeten opgeven welke achternaam hij voor zichzelf en zijn kinderen had gekozen. Dat moet zijn vastgelegd in een “akte van naamsaanneming”. Die akte is het enige document dat formeel uitsluitsel kan geven over de vraag of het Van de Meent of Reijerse moet zijn. Tot op heden zijn de aktes van naamsaanneming van de gemeente Amerongen (waar Reijer woonde) evenwel niet gevonden. Er is dus vooralsnog geen hard bewijs of het Van de Meent of Reijerse moet zijn. Er is wel indirect “bewijs”. Reijer noemt zich bij het dopen van al zijn kinderen vóór 1811 met alleen zijn patroniem: Reijer Reijersen (zijn vader heette ook Reijer). Bij de eerste twee geboorte-aangiften van zijn kinderen ná 1811 noemt hij zich Reijer Reijersen van de Meent. Je mag aannemen dat hij hierbij dacht aan de naam die hij in 1811 officieel had opgegeven. Overigens is hij dat dan bij de geboorte-aangifte van zijn derde (en laatste) kind ná 1811 weer vergeten. Dan is het weer Reijer Reijersen.

Kortom: het is net iets waarschijnlijker dat Van de Meent de juiste achternaam is dan Reijerse. Eerder in dit verhaal werd overigens duidelijk dat het ook nog Van de Haar had kunnen worden.

 

6. Verder terug tot ca. 1650

Het ontbreken van een Burgerlijke Stand vóór 1811 wil niet zeggen dat er van die tijd geen (schriftelijke) gegevens over mensen zijn. Binnen de kerkgenootschappen was al halverwege de 17e eeuw bepaald dat de pastoors en de dominees registers moesten bijhouden van het dopen, trouwen en begraven in hun kerk. Het duurde tot ca. 1700 voordat dit ook daadwerkelijk gedaan werd. Bovendien ontbrak het aan adequate richtlijnen en vonden veel pastoors en dominees dit een vervelende klus. Ook zijn veel van die zogenoemde DTB-registers (DTB = dopen, trouwen en begraven) verloren gegaan, bv. doordat de kerk afbrandde. Gevolg hiervan is onder meer dat er van mensen vóór 1811 vaak geen geboorte- en overlijdensdata bekend zijn, maar wel doop- en begrafenisdata.

Andere schriftelijke bronnen uit die tijd vormen het strafrecht, de overdracht van eigendom, boedelscheiding na een sterfgeval en niet in de laatste plaats het vastleggen van betaling van (allerlei soorten) belasting. Het moge duidelijk zijn dat naarmate mensen rijker waren, er – in het algemeen – meer over hen bewaard is gebleven.

De registratie van het betalen van belasting zal vooral blijken van belang te zijn bij het uitzoeken van de stamreeks Van de Meent.

Figuur 11 geeft weer de al bekende Reijer Reijersen van de Meent (de vader van Hendrik) en vier generaties vóór hem.

Figuur 11: Tweede deel van de stamreeks Van de Meent: terug tot ca. 1650

Figuur 11: Tweede deel van de stamreeks Van de Meent: terug tot ca. 1650

Reijer’s vader heette ook Reijer, hetgeen wij eigenlijk al wisten via het patroniem van zoon Reijer. Het blijkt te gaan om Reijer Joosten van de Meent, gedoopt op 23 november 1732 in Renswoude. Reijer Joosten trouwde op 15 november 1761 met Jannetje Reijers van de Haar (geboren in Amerongen). Zoon Reijer is (als oudste zoon) dus waarschijnlijk niet naar zijn vader genoemd, maar naar zijn grootvader van moederszijde. Vader Reijer was ook weer landbouwer van beroep.

Voor de verandering was Jannetje bij het sluiten van haar huwelijk (waarschijnlijk) niet zwanger. Haar eerste kind (Reijer) werd een kleine twee jaar na het huwelijk geboren.

Reijer Joosten’s vader was Joost Reijersen van de Meent. Reijer Joosten was dus vernoemd naar zijn grootvader van vader’s zijde. Zijn moeder was Geertje Jansen van Ginkel. Van Ginkel is dezelfde achternaam als die van de vrouw van haar achterkleinzoon. Vooralsnog is er geen min of meer directe familierelatie bekend tussen deze twee echtgenotes Van Ginkel. Joost Reijersen en Geertje Jansen trouwden op 27 september 1726 in Renswoude. (Geertje was toen niet zwanger). Joost was gedoopt op 20 februari 1701 in Renswoude en Geertje op 25 januari 1708 in Scherpenzeel.

De generatie dáárvoor wordt gevormd door Reijer Cornelissen van de Meent, gedoopt op 10 december 1665 in Renswoude en Mettien Hendriksen van Kolfschoten, gedoopt op 16 juli 1671 in Scherpenzeel. Zij trouwden op 11 mei 1690 in Renswoude. Van hen zijn maar drie kinderen bekend, respectievelijk gedoopt in 1698, 1701 en 1712. Naar alle waarschijnlijkheid zijn er meer kinderen geweest.

En het laatste (of eigenlijk het eerste) echtpaar in dit deel van de stamreeks betreft Cornelis Jan Roelen van de Meent en Adriaantje Jansen. Cornelis voerde een dubbel patroniem (de namen van zijn vader en zijn grootvader). Adriaantje voerde geen “echte” achternaam, alleen een patroniem. Cornelis was net als zijn zoon, kleinzoon en achterkleinzoon afkomstig uit Renswoude. Van hem is geen doopdatum bekend. Hij moet geboren zijn rond 1624. Ook van Adriaantje kennen we geen doopdatum. Zij is rond 1634 geboren in Leersum. Zij zijn getrouwd op 25 juli 1658 in Renswoude.

 

7. En nog verder terug tot ca. 1550

Figuur 12: Voorkant van het boekje "Boerderijen en boerengeslachten te Renswoude" van S. Laansma.

Figuur 12: Voorkant van het boekje “Boerderijen en boerengeslachten te Renswoude” van S. Laansma.

Zoals uit het laatste deel van de vorige paragraaf blijkt, wordt het lastig om zo ver terug nog aantekeningen te vinden van dopen en huwelijken van de voorouders Van de Meent. Om nog maar te zwijgen van aantekeningen betreffende begrafenissen. Zoals eerder opgemerkt, is het dan zaak andere bronnen te raadplegen. Daarbij komt het boekje “Boerderijen en boerengeslachten te Renswoude” van S. Laansma uit 1972 zeer goed van pas. Sjoerd Laansma was onderwijzer (nederlandse taal) te Renswoude in het midden van de 20e eeuw en amateur historicus. Hij heeft onder meer in het (provinciaal) archief in Utrecht alle betalingen van “tiendgelden” van de gemeente Renswoude uitgeplozen en heeft zo kunnen vaststellen wie wanneer op welke boerderij woonde in Renswoude. Daaruit kon hij ook familierelaties reconstrueren. Tiendgelden waren van oorsprong een kerkelijke belasting, die later waren overgaan op de wereldlijke machtshebbers. Degene die in Renswoude de wereldlijke macht uitoefende (namens de Staten van Utrecht) was de Heer van Renswoude, wonende op het kasteel van Renswoude. Aan hem moest een tiende van de opbrengst van het land worden afgedragen. De kasteelheer bezat ook allerlei andere rechten (o.a. rechtspraak). Het betalen van tienden werd formeel pas in het begin van de 20e eeuw afgeschaft. Tot ver in de 20e eeuw genoot de kasteelheer veel aanzien in Renswoude.

Figuur 13: Derde deel van de stamreeks Van de Meent: terug tot ca. 1550.

Figuur 13: Derde deel van de stamreeks Van de Meent: terug tot ca. 1550.

Mede met behulp van het archiefwerk van Sjoerd Laansma is het derde (en laatste) deel van de stamreeks van de familie Van de Meent op te stellen. Dat derde deel begint (onderin) met de laatste man van het twee deel: Cornelis Jan Roelen, geboren rond 1624.

Zijn vader was Jan Roelen van de Meent, geboren rond 1597 In Renswoude. De moeder van Cornelis is niet bekend.

De vader van Jan Roelen was Roelof Franz. Die is geboren ca. 1572, ook in Renswoude. Ook van hem ontbreekt de echtgenote. De vader van Roelof moet Frans geheten hebben (op basis van het patroniem van Roelof) en ergens rond 1550 geboren zijn. Het jaar 1550 ligt 50 jaar na wat als het einde van de Middeleeuwen wordt beschouwd!

 

8. De roots van de familie Van de Meent

De familie Van de Meent komt dus oorspronkelijk uit Renswoude. En in Renswoude blijken veel families genoemd te zijn naar de boerderij waar ze woonden of gewoond hadden. Voorbeelden daarvan zijn familienamen als Van Ravenhorst, Daatselaar, Van Wolfswinkel, Zelder, Overeem, Wingelaar, Van Ligtenhorst, Immikhuizen, Nijburg, Van Wagensveld, Van de Vliert en Ubbelschoten.
Het ligt dan voor de hand te veronderstellen dat ook de familie Van de Meent naar een boerderij is genoemd. En als er dan in Renswoude een boerderij is die de Renswouder Meent heet, lijkt één en één twee. Maar het eerder genoemde boekje van Van der Laan laat zien dat het anders zit. De familie Van de Meent woonde wel op een boerderij die De Meent heette, maar dat was niet de Renswouder Meent; dat was de Schekkermeent.

Figuur 14: De ligging van de boerderijen in Renswoude in 1832.

Figuur 14: De ligging van de boerderijen in Renswoude in 1832.

Figuur 15: De ligging van de boerderijen in Renswoude in 1832, met een kaart van het huidige Renswoude als achtergrond.

Figuur 15: De ligging van de boerderijen in Renswoude in 1832, met een kaart van het huidige Renswoude als achtergrond.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Waar de Schekkermeent gezocht moet worden in Renswoude is te zien op de plattegrond van figuur 14 (afkomstig van de website van de gemeente Renswoude). Die plattegrond laat de situatie zien van 1832, maar dat haalt voor dit doel niet veel uit. In de beschrijving die bij de plattegrond hoort staat onder meer: 19 Schaiker- of Schekkermeent, met als (huidige) adres Biesbosserweg 13/15. (Nr. 20 is de Renswouder Meent.) In figuur 15 is deze plattegrond passend gemaakt op een achtergrond van het huidige Renswoude. De Schekkermeent ligt ten zuidwesten van de dorpskern van Renswoude in de bocht van de Biesbosserweg aan de zuidwestelijke kant van die weg en op enige afstand ervan. Het woord “biesbos” in deze straatnaam betekent “moerassig gebied”, hetgeen verwijst naar hoe het vroeger in deze omgeving was.

Figuur 16: De Biesbosserweeg in 1955 vlakbij de Schekkermeent (toen de Groep).

Figuur 16: De Biesbosserweeg in 1955 vlakbij de Schekkermeent (toen de Groep).

De huidige Biesbosserweg is een geasfalteerde landweg. Om een indruk te krijgen hoe de Biesbosserweg er vroeger uitgezien heeft, hiernaast een foto van deze weg uit 1955.

 

 

 

 

Figuur 17: Uitzicht vanaf de Biesbosserweg ter hoogte van de bocht in zuidwestelijke richting.

Figuur 17: Uitzicht vanaf de Biesbosserweg ter hoogte van de bocht in zuidwestelijke richting.

Anno 2014, op zoek naar de Schekkermeent, turend vanaf de weg op de goede plek in de goede richting zie je wat is weergegeven op de foto van figuur 17. Er is geen boerderij te zien. De conclusie moet zijn: de Schekkermeent is er niet meer.

Inderdaad, Sjoerd Laansma maakt in zijn boekje melding van het feit dat de Schekkermeent in 1966 is afgebroken. Daarbij geeft hij nog een aardig detail: de muurankers, die het jaartal 1715 vormden, zijn thans eigendom van de familie Van de Meent. Het is niet bekend om welke Van de Meent dit gaat.

De onderstaande luchtfoto is genomen in 1960. Iets links boven het midden ligt de boerderij waar het geslacht Van de Meent is ontstaan.

Figuur 18: Luchtfoto van de Biesbosserweg uit 1960.

Figuur 18: Luchtfoto van de Biesbosserweg uit 1960.

In 1832 zijn voor heel Nederland voor het eerst de kadastrale gegevens gepubliceerd. Ook weer een project dat door Napoleon in gang was gezet. Hieronder een detail van het zogenoemde kadastrale minuutplan van de gemeente Renswoude (Sectie E, Emmikhuizen), waarop de Schekkermeent staat.

Figuur 19: Detail van het kadastrale minuutplan van Renswoude uit 1832.

Figuur 19: Detail van het kadastrale minuutplan van Renswoude uit 1832.

De rode vlekjes in het midden van dit minuutplan vormen de Schekkermeent. Uit de tekst van de kadastrale atlas blijkt, dat de strook land, waarop de boerderij staat, van links onder naar rechts boven in bezit was van de heer Taets van Amerongen. De strook land ten westen daarvan was (in 1832) in bezit van Gerrit van de Meent en Consorten, boer te Maartensdijk. Deze Gerrit van de Meent was een neef van Reijer Reijersen van de Meent (en kleinzoon van Joost Reijersen van de Meent). Hoe Gerrit dit land heeft verworven en of het al in bezit was van de familie Van de Meent, toen zij op de Schekkermeent woonden, is niet bekend. Dat laatste lijkt wel aannemelijk. Dan heeft Gerrit dit verworven via vererving. Anders is het wel een erg groot toeval dat Gerrit dit stuk grond in bezit heeft gekregen.

Nog wat meer informatie over de plek waar deze boerderij heeft gestaan.

Als je langs de A12 rijdt richting het westen, heb je net voorbij Veenendaal kijkend naar het

Figuur 20: Emminkhuizerberg vanaf de A12.

Figuur 20: Emminkhuizerberg vanaf de A12.

noordwesten het bovenstaande uitzicht. Het is de Emminkhuizerberg, een heuvel die zo’n 15 m boven het omliggende land uitsteekt en die (net als de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe) in de laatste ijstijd is achtergelaten door het landijs dat tot hier het noorden van Nederland bedekte. Aan de andere kant van deze heuvel loopt de spoorlijn Utrecht – Arnhem. En achter die spoorlijn loopt de Biesbosserweg. De spoorlijn is in het midden van de 19e eeuw aangelegd en de rijksweg in de jaren 30 van de 20e eeuw.

Figuur 21: Kaart van de gemeente Renswoude.

Figuur 21: Kaart van de gemeente Renswoude.

Figuur 22: Detail van de kaart links: de Biesbosserweg.

Figuur 22: Detail van de kaart links: de Biesbosserweg.

 

 

 

 

 

 

 

 

Voor de volledigheid nog een kaartje van de gemeente Renswoude en een detail daaruit van de Biesbosserweg.

In een ander boekje van S. Laansma: “Uit de historie van Renswoude” beschrijft hij in 1966 de Schekkermeent wat uitgebreider. Helaas doet hij dit in een hoofdstuk over Renswouder Meent en de Schekkermeent samen en is het niet altijd even duidelijk wanneer hij het over welke meent heeft. Over de Schekkermeent gaan waarschijnlijk de volgende passages (zinnen hier en daar wat aangepast):

In de Stichtse Leenprotocollen van 1459 wordt de Schaycker- of Schekkermeent genoemd. Het was door de Bisschop van Utrecht in leen gegeven aan Gerrit Culenborch. Na de Hervorming kwam de Schekkermeent aan de Staten van Utrecht, die er eerst het geslacht Van Reede en vervolgens het geslacht Taets van Amerongen mee beleenden.

De Meent heeft zijn naam te danken aan een stuk grond waar “de gemeente” haar vee mocht laten grazen. Inderdaad is uit het Transportregister een stuk land bekend, waar sprake is van “de gemeente”. Op 28 mei 1641 transporteerden de kinderen van Jan Saren en Geertruyd Jans het erf “de gemeente” aan Adriaan Matheus van Langelaar. Als begrenzingen werden aangegeven: de Carthuizers oostwaarts, de Beek noordwaarts. Aangezien de Carthuizers te Emmickhuizen hun bezittingen hadden is men geneigd deze hoeve in de nabijheid van de Emmickhuizerlaan te zoeken.

Hierboven staat ook de Groep en in deze naam schuilt een geheim: het geheim van de Schekkermeent. Hiervoor werd reeds even vermeld, dat “de gemeente” nabij de Emmickhuizerlaan gelegen was. Nog is deze oude hofstede aldaar te vinden, zij het in staat van afbraak.

De Groep, onder deze naam komt de hoeve voor in de koopacte, werd volgens overlevering vroeger de Meent genoemd. Zeggenslieden van deze overlevering zijn de leden van het geslacht Taets van Amerongen. En wie zou het beter kunnen weten dan deze familie, die de Schekkermeent tot ± 1926 in eigendom bezat.

Op 1 september 1926 verkocht Arend van den Brandhof de hofstede, die hij nog maar net van bovengenoemde familie had gekocht, aan N. Robbertsen. De heer Robbertsen was al van voor 1900 pachter. Na zijn overlijden werd op 7 juli 1930 bij acte van scheiding “de boerenhofstede genaamd de Groep, bestaande uit huis met achterhuis, bakoven, hooiberg, varkensschuur, wagenloods, erf, tuin, boomgaard, weiland, bouwland en weg te Renswoude in de Groep aan de Biesbosserweg”, etc. groot 2 ha 46 a en 85 ca, toegewezen aan zijn weduwe Jacobje Hardeman. Haar zoon, de tegenwoordige eigenaar, kocht op 19 juli 1944 de hofstede. De oude hoeve wordt afgebroken. Aan de vernieuwde voormuur bevonden zich muurankers met het jaartal 1715. Sedert 1957 woont de familie Robbertsen in een nieuwe boerderij aan de weg. Wanneer men de oude bouwval nog wil zien liggen achter in het land, dan zal men zich moeten haasten. Nog even en ook de (Schekker)-Meent is verleden tijd.

Tot zover het citaat van Laansma. Het blijft in deze tekst onduidelijk waar hij met “het geheim van de Schekkermeent” op doelt. Gelukkig heeft hij ook een foto van “de boerenhofstede” in dit boekje opgenomen. Die staat hieronder afgebeeld als figuur 23. Jammer is wel dat het de boerderij laat zien in deplorabele staat, namelijk tijdens de afbraak in 1966.

Figuur 23: De Groep in 1966 in staat van afbraak.

Figuur 23: De Groep in 1966 in staat van afbraak.

Navraag bij de kleinkinderen van Nicolaas Robbertsen heeft geen andere foto’s of informatie opgeleverd over de boerderij de Groep.

9. En weer terug naar Oudshoorn.

Onze huidige begrippen eigendom en pacht zijn niet zonder meer toepasbaar op de situatie in de 16e eeuw, toen de romeins-rechtelijke verhoudingen nog lang niet algemeen goed waren. Het eigendom was een getrapt fenomeen, dat begon bij de keizer, via regionale heren (bv. de Heren van Holland) of Bisschoppen (zoals de Bisschop van Utrecht), via leenheren en pachtinners (voor die leenheren). Die leenheren waren vrijwel altijd afkomstig uit adellijke families. In de loop van de eeuwen ontwikkelde het leenheerschap zich geleidelijk tot eigendom zoals we dat nu kennen. Nog tot ver in de 20e eeuw had de Heer van Renswoude veel eigendom, aanzien en privileges in het dorp.

Zoals uit een van de boeken van Van der Laan blijkt, was eerst het geslacht Van Reede en vervolgens het geslacht Taets van Amerongen beleend met de Schekkermeent (zie het eerder vermelde citaat uit dat boek). Uit het kadastrale minuutplan van 1832 blijkt dat toen het geslacht Taets van Amerongen nog steeds eigenaar was van de Schekkermeent. Aangenomen mag worden dat de voorouders Van de Meent de boerderij Schekkermeent pachtten van deze adelijke families. In figuur 24 staat een overzicht van een deel van deze families.

Figuur 24: Overzicht van een deel van de familie van de Heren van Renswoude, Nederhorst en Oudshoorn.

Figuur 24: Overzicht van een deel van de familie van de Heren van Renswoude, Nederhorst en Oudshoorn.

Aan het einde van de 16e eeuw was Hendrik van Eede (rechts bovenin de figuur) Heer van Renswoude. Na zijn dood ging die titel over op zijn enig kind, dochter Jacoba en dus op haar man Johan Baron van Reede. Oudere broer van Johan was Bernhard Adolf Cornelis van Reede, die de titel Heer van Nederhorst van zijn vader had geërfd. Zoon van Bernhard was Pieter, die trouwde met Maria de Vlaming. Deze Maria was een dochter van Cornelis de Vlaming.

Cornelis de Vlaming was niet alleen Burgemeester van Amsterdam, maar ook Heer van Oudshoorn. Johan van Reede en Cornelis de Vlaming waren dus tijdgenoten van elkaar en vanaf het huwelijk van Maria de Vlaming in 1684 ook (verre) familie. Terwijl Johan van Reede jaarlijks de pacht liet innen van de boeren Van de Meent op de Schekkermeent in Renswoude, liet Cornelis de Vlaming tussen 1660 en 1665 zo’n 80 km westelijker de Oudshoornse kerk bouwen. De kerk dus, waar later, in de 20e eeuw, meerdere telgen uit het Renswoudse geslacht Van de Meent zijn gedoopt.

De Oudshoornse kerk

Figuur 25: De Oudshoornse kerk

 

 

Bijlage: Losse feiten

Andere namen van de Schekkermeent

De Schekkermeent heeft in de loop van de tijd (soms gelijktijdig) meerdere namen gehad:

  • Rhener Meent (de meent van de stad Rhenen)
  • Schaycker meent
  • De Meent
  • De Groep

 

Andere namen van de Biesbosserweg

Net als de Schekkermeent, heeft ook de Biesbosserweg in de loop van de tijd meerdere namen gehad. Voorheen heette dit de Groeperweg. Verwarrend omdat nu de weg ten zuiden van de Biesbosserweg Groeperweg heet.

Weer daarvoor heette dit de Scherpenzeelseweg en vormde de doorgaande verbinding tussen Veenendaal en Utrecht.

 

Betekenis van het woord “meent”

Het woord “meent” duidt op een gemeenschappelijke weide. Op deze weide konden boeren­arbeiders die zelf ook een varken en/of koe hielden (voor eigen gebruik) hun vee laten grazen. Vaak ging het om minder goede grond; op de betere gronden was al een boerderij gevestigd. Voordat op de Rhener meent bij de Emminkhuizerberg onder Renswoude een boerenhofstede verrees, was dat gebiedje in gebruik als meent van de stad Rhenen, waarvan het toen nog deel uitmaakte. Waarschijnlijk is dat in onbruik geraakt vanwege de grote afstand tot Rhenen.

Het begrip “meent” is in het Engels bekend als “the common”. Uit het woord “meent” is het woord “gemeente” afgeleid.

In de milieukunde is “het dilemma van de meent” een bekend begrip. Het maakt duidelijk hoe belangrijk het is om de schaarste van grondstoffen te onderkennen en daarnaar te handelen.

 

Grebbelinie

Iets ten westen van de Biesbosserweg loopt de Groeperkade. Dat is een keerkade van de Grebbelinie, die met andere keerkaden moest voorkomen dat bij inundatie van de Grebbelinie het water vanuit de Rijn zou wegstromen richting het noordwesten naar de Zuiderzee. Met deze cruciale functie waren ze meteen ook de zwakke punten van de verdedigingslinie. De vijand kon ze immers gebruiken

om de Grebbelinie over te steken. Daarom zijn deze kades versterkt met forten, batterijen en andere (verdedigings-)werken.

Als de Grebbelinie onder water werd gezet, stond ook de Schekkermeent in het water. Het gaat dan om een laag water van zo’n 30 tot 40 cm diep.

Het werk aan de Grebbelinie begon in 1744. Voor de eerste aanval van de Fransen in 1793 lukte het niet de Grebbelinie te gebruiken, want de kanonnen kwamen te laat aan en het water in de Rijn stond te laag om het gebied te inunderen. Maar de Fransen kwamen toen niet verder dan Willemstad. Bij een tweede aanval was de Grebbelinie wel paraat. Onder meer Engelsen hielpen mee met de verdediging. Ook in Renswoude, hetgeen zelfs leidde tot twee Engels-Nederlandse huwelijken in de kerk van Renswoude.

In de winter van 1794 op 1795 bevroor de Grebbelinie en de verdedigende soldaten verlieten spoorslags de stellingen. De Fransen konden zonder tegenstand doorlopen en en passant nog zo’n 200 verlaten Hollandse kanonnen meenemen.

Overigens woonden de voorouders Van de Meent uit de in dit document beschreven stamreeks toen al niet meer op de Schekkermeent. Reijer Joosten van de Meent was er in 1732 nog wel geboren, maar trouwde in 1761 in Amerongen en daar werden ook zijn kinderen geboren. Amerongen ligt (hoog en droog) op de Utrechtse Heuvelrug. Reijers broers Cornelis en Jan woonden toen nog wel in Renswoude en (beide of alleen Jan) waarschijnlijk op de Schekkermeent.

De Grebbelinie is voor het laatst geïnundeerd geweest tijdens de mobilisatie voor en de landsverdediging in het begin van de Tweede Wereldoorlog. Op de Groeperkade staat een monument ter herinnering aan de zes mannen uit Renswoude die daar toen om het leven zijn gekomen.

 

Geografische spreiding stamreeks

De Schekkermeent lag, zoals hiervoor beschreven, in het zuidwesten van de gemeente Renswoude. Daar grenst Renswoude aan de smalle noordelijke punt van de gemeente Amerongen. Weer ten westen daarvan ligt de eveneens smalle noordelijke punt van de gemeente Leersum. Nu behoren Amerongen en Leersum tot de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Ten noorden van Amerongen en Leersum en ten westen van (het zuidelijke deel van) Renswoude ligt de gemeente Woudenberg. In dit grensgebied van vier gemeenten liggen de diverse gebiedjes, waarvan in de beschrijving van de stamreeks sprake is:

  • de Groep: in het zuiden van Renswoude en Woudenberg en het noorden van Amerongen en Leersum (vandaar waarschijnlijk de latere naam van de Schekkermeent);
  • de Haar: in het noorden van Amerongen en Leersum;
  • Ginkel: in het noorden van Leersum.

Dit betekent dat het geslacht Van de Meent, althans in de hier beschreven stamreeks, zich vanaf 1550 tot bijna 1900 slechts zo’n 6 km naar het westen heeft verplaatst. Gerrit Jan doorbrak die trend rigoureus door zich in een keer zo’n 80 km meer westelijk te vestigen.

 

Geslachten Van de Meent

Het hier (voor een deel) beschreven geslacht Van de Meent is niet het enige in Nederland. Het is wel het grootste. Het bevat op dit moment (december 2014) 650 mensen (met die naam). Het speelt zich – zoals hiervoor beschreven – vooral af aan de westkant van de Gelderse Vallei en op de Utrechtse Heuvelrug. Naast de vertakking naar Oudshoorn zijn er ook veel Van de Meenten van dit geslacht in noordoost Utrecht en het zuiden van Noord-Holland beland (naast kleinere aftakkingen naar o.m. de USA aan toe).

Een andere stam Van de Meent omvat nu ca. 125 mensen (met die naam) en speelt zich voor het grootste deel ook af in de Gelderse vallei. Bovendien zijn veel voornamen in deze stam dezelfde als de voornamen die voorkomen in de grote stam. Het vermoeden dringt zich dan op, dat het hier om een zijtak van de grote stam Van de Meent zou gaan. Vooralsnog is dat niet bewezen. Er zijn wel via-via-verbanden te leggen met de grootste stam (via verre huwelijken), maar de beide stammen zijn vooralsnog niet terug te voeren op dezelfde stamvader. De via-via-verbanden komen onder meer in beeld in de parenteel van Reynier van Langelaer, waarin mensen van beide stammen Van de Meent voorkomen. Gegeven het feit dat de oudst bekende woonplaats in deze kleinere stam Amersfoort is (ca. 1714), is het niet waarschijnlijk dat deze stam uiteindelijk tot dezelfde stamvader terugvoert als de grote stam Van de Meent.

Daarnaast is er nog een aantal mensen met de naam Van de Meent die (nog) niet aan een van deze twee stammen zijn te koppelen. Het gaat zowel om mensen uit het verleden, als om mensen in het heden. Op dit moment is dat een verzameling van zo’n 200 mensen. Dat zijn vaak losse personen, maar soms zijn het kleine stammetjes met drie of vier generaties.

 

Andere namen

Zoals vermeld ging men vroeger – vooral vóór Napoleon, maar soms ook nog daarna – niet zo precies om met achternamen. Andere namen van de hier beschreven (grootste) stam Van de Meent zijn:

  • Van der Meent (verschrijving)
  • Van der Mindt (ook: van der KIndt; verschrijving / verbastering)
  • Van der Munt (verschrijving / verbastering)
  • Vandermeent (veramerikanisering)
  • Van de Haar (achternaam moeder of woongebied)
  • Reijerse (versteend patroniem)
  • Van de Vliert (naar een andere boerderij in Renswoude)
  • Van Emmikhuizen (naar boerderij of woongebied / buurtschap)

Een en ander los van het feit dat zgn. vóórkinderen bij hun geboorte vaak de achternaam van hun moeder kregen (meestal tijdelijk tot het huwelijk).

 

Voorhuwelijkse zwangerschappen

In de beschrijving van de stamreeks Van de Meent komt het nogal eens voor dat een stel trouwt terwijl ze al in verwachting zijn. Dat vergt nadere uitleg.

Vanuit de kerk was seks voor het huwelijk verboden. Dat geldt voor alle kerkelijke richtingen, zij het dat in de prakrijk het ene geloof daar dwingender in was dan het andere. Binnen een geloof waren er ook regionale verschillen. Er zijn gevallen bekend, waarin een ongehuwd zwangere vrouw voor de kerk boete moest doen. Ook werden ongehuwd zwangere dochters uit schaamte van de familie in een ander dorp of een andere stad ondergebracht, om daar in redelijke anonimiteit te bevallen. In andere delen van het land en/of bij andere kerkgenootschappen werd er minder moeilijk gedaan over zo’n voorhuwelijkse zwangerschap. Dit laatste lijkt bij de hier beschreven familiereeks Van de Meent het geval.

Kinderen waren vroeger, toen er nog geen pensioen of AOW bestond, voor de minder welgestelden een belangrijke “oudedagsvoorziening”. Voor de middenstand waren kinderen sterk gewenst om het bedrijf voort te zetten. Voor vermogende families waren kinderen belangrijk om het kapitaal in de familie te houden. Kinderloos blijven was vrijwel altijd een economisch zeer ongewenste situatie. Omdat een huwelijk (meer dan nu) voor het leven gesloten werd, was het belangrijk om te weten of je met je toekomstige echtgenoot / echtgenote kinderen kon krijgen. Dat “uitproberen” vóór het huwelijk was dus gewoon handig. Het valt zelfs niet uit te sluiten, vooral in welgestelde families, dat door de ouders van een jong stel op dat “uitproberen” werd aangedrongen. Als er dan sprake was van een zwangerschap, was het vervolgens wel zaak “op tijd” te trouwen om op zijn minst de schijn op te houden. Als het kind toch voor het huwelijk geboren werd, dan werd dat een “natuurlijk” kind genoemd. Met een later huwelijk werd het kind “gewettigd” of “geëcht”.

Er was dus sprake van een ambivalente houding ten aanzien van een voorhuwelijkse zwangerschap: religie versus economie. Verder moeten we er van uitgaan dat in die tijd zonder goede voorbehoedsmiddelen ook vaak sprake zal zijn geweest van een “ongelukje”.

 

In de gevangenis

Er zijn gegevens bekend van mensen met de naam Van de Meent, die ”ingebracht zijn in een huis van bewaring”. Vrijwel altijd gaat het om kleine misdrijven vanuit een achtergrond van armoede. Voor zover deze gevangenen te herleiden zijn tot een bekende Van de Meent, blijkt bij de tot op heden bekende gevallen dat het steeds gaat om een Van de Meent uit “de andere” stam Van de Meent !!