Watermolenaars rond Breukelen

Griffioen  één familie

Na de namen Groeneveld, van der Gaag en ’t Hart komt de naam Griffioen op deze site op de vierde plaats qua aantal mensen met die naam (ca. 1400). Maar daar waar die eerste drie namen uiteenvallen in verschillende stammen (met elk een andere stamvader), zijn  (vrijwel) alle Griffioenen (in deze database) afstammelingen van één stamvader: Thijs Griffioen, geb. ca. 1525, waarschijnlijk in de buurt van Woerden.

Het tweede dat opvalt is het beperkte deel van Nederland, waar het grootste deel van deze Griffioenen leeft. Dat is ongeveer de vierhoek Utrecht, Hilversum, Uithoorn, Woerden.

Het derde opvallende aan deze familie is het grote aantal Griffioenen dat watermolenaar is van beroep.

Om reden van die laatste twee feiten is onderstaand artikel erg relavant voor de familie Griffioen. Het is afkomstig uit het tijdschrift van de Historische Kring Breukelen, jrg. 13 (1998), nr. 2 .

 

Enkele watermolenaars uit de omgeving van Breukelen

Henk J. van Es

Zo’n kleine twee eeuwen geleden woonden er minstens elf molenaars op evenzoveel watermolens binnen de grenzen van de huidige gemeente Breukelen. Van die molens zijn er nu nog vier over, de zeven andere zijn afgebroken en vijf daarvan zijn vervangen door gemalen.

De meeste van deze watermolens zijn al voor het midden van de 17de eeuw gebouwd en hebben dus heel wat molenaars gekend. Ik heb mijn onderzoek daarom beperkt tot de molenaars die in de archieven van de Gemeente Breukelen voorkomen.1) Daarbij kwam ik enkele malen de naam Griffioen tegen; daarom heb ik ook de genealogie van die familie geraadpleegd.2)

De griffioen was een fabeldier, dat al in 900 v.Chr. voorkwam in de Griekse literatuur en later ook in de West-Europese. Deze grijpvogel had het onderlijf van een leeuw en het bovenlichaam van een adelaar. Hij was fel en wreed van aard, maar werd ook beschouwd als symbool van kracht en verstand. Daardoor kreeg de griffioen een plaats in de heraldiek en werd hij vaak uitgebeeld in de kunst. De naam van het beest kwam als familienaam in heel West-Europa voor, ook in de omgeving van Woerden, waar in de 17de eeuw wel zes verschillende families Griffioen woonden.

De Zegveldse watermolenaar Gerrit Griffioen, gedoopt in Zegveld in 1690, werd de stamvader van talrijke watermolenaars, sluiswachters en landbouwers in Utrecht en Zuid-Holland. Zijn derde zoon Hendrik Griffioen (1727 – 1788) werd omstreeks 1760 watermolenaar op de Oudhuizer molen te Wilnis.3) Hij kreeg uit twee huwelijken zeven zonen, waarvan er zes watermolenaar werden. Drie van hen kwamen op een molen in Breukelen: Gerrit (1750 – 1831) in Otterspoorbroek, Willem (1753 – 1842) in Breukeleveen en Jacob (1771 – 1806) in de polder Kortrijk-Gieltjesdorp.

de Kockengense molen

Afb. 1. Luchtfoto van de Kockengense molen, vóór de huidige asfaltweg naar Teckop was aangelegd. Langs de molenvliet liep toen over particulier terrein een eenvoudige tolweg naar Teckop. De twee bruggen liggen over de Kockengense Wetering. Het molenaarshuis heeft de karakteristieke gebroken kap met nok, een mansarde-dak. (Foto-archief Historische Kring Breukelen.)

De andere drie zonen bleven ook in de buurt, want Adrianus Griffioen (1755 – 1833) werd molenaar in Zuilen (grootvader van de vishandelaar Wernardus Griffioen in Oud Aa), Kornelis Griffioen (1763 – 1816) bleef in Wilnis (daar stamde waarschijnlijk de timmerman-molenmaker Hendrik Griffioen aan de Brouwerij te Breukelen van af) en Jan Griffioen (1767 – 1846) werd watermolenaar in Vinkeveen.

 

De molen in Kockengen (Wagendijk 15)

Toen in 1993 de Stichting De Utrechtse Molens dertig jaar bestond, is een boekje over de eerste twee aangekochte molens verschenen. Daarin werden alle molenaars van de beide molens in Kockengen genoemd.4) Daaruit bleek, dat de naam Griffioen ook in Kockengen voorkwam, want in 1814 was de in Breukelen op de Kortrijkse molen geboren Hendrik Jacobusz Griffioen (1793 – 1876) naar Kockengen gekomen, waar hij 62 jaar de molen aan de Wagendijk bediende (Afbeelding 1). Zijn kleinzoon Jan, die op de Spengense molen geboren was, volgde hem op en heeft 41 jaar op de molen gewoond. Honderddrie jaar lang hebben grootvader en kleinzoon Griffioen dus de polder Kockengen drooggehouden. In 1917 verongelukte Jan in de molen, doordat zijn kleding in het draaiende binnenrad kwam en hij aan zijn verwondingen overleed. Hij werd opgevolgd door Jan Brandhorst, die tot 1949 molenaar was, waarna  diens zoon Pieter tot 1963 voor het waterschap de molen bediende.

 

De Spengense molen (Wagendijk 72)

Vijfenveertig jaar lang, van 1846 tot 1891, was Jacob Hendriksz Griffioen molenaar op de molen van Spengen. Jacob was in 1819 op de Kockengense molen geboren en had al eerder, in 1841 maar toen vergeefs, naar Spengen gesolliciteerd. Zijn één jaar oudere achterneef Adrianus Griffioen 5) werd in 1841 op de pas herbouwde molen benoemd, maar binnen een jaar ontslagen wegens schade die hij aan de nieuwe molen zou hebben toegebracht.6) Enkele andere bekende namen van watermolenaars in Spengen waren: Hendrik Coljee (1816 -1826), Anthonie Zaal (1827 -1833) en Dirk Blom (1915 -1962).

In 1827 was het jaarloon van de molenaar in Spengen ƒ 90. Hij moest daarvoor dag en nacht klaarstaan. In zijn instructie stond, dat de molenaar wanneer de molen “in gemaal is”, zich onder geen voorwendsel mocht verwijderen op straffe van zijn halve jaarloon en mocht zich dat bij herhaling voordoen dan zou hij van zijn post worden ontheven. Hij mocht niemand anders laten malen, ook zijn eigen familie niet. Bij ziekte moesten de schout en de poldermeesters iemand aanwijzen, die voor rekening van de molenaar zijn werk deed. Als hij in of bij de molen betrapt werd met een brandende pijp zonder dop, werd hij “ontzet”, dat is ontslagen. Brand was immers een gevreesde vijand van windmolens; die kon ontstaan door blikseminslag of onvoorzichtigheid met vuur, maar vooral ook door het te warm worden van de houten assen. Daarom moest boven in de molen altijd een bak met water gereed staan om van tijd tot tijd de bovenas te koelen of een begin van brand te kunnen blussen. De molenaar moest tijdens het malen de assen en tandraderen regelmatig smeren met reuzel of olie.

 

De Kortrijkse molen (Stationsweg 105)

De Kortrijkse molen stond ten oosten van de polder Kortrijk, waarmee hij door een 1200 meter lange vliet was verbonden. Daardoor kon de polder op de Kerkgracht uitwateren in plaats van op de Grote Heycop. De vliet liep tussen twee kaden evenwijdig aan de Heycop en is omstreeks 1960 bij de aanleg van de provinciale weg T27 gedempt.

de Kortrijkse molen

Afb. 2. Kortrijkse molen en de later daarbij geplaatste molenaarswoning met een “geknotte” gebroken kap, een zgn. gesnoten kap. Had men de gebroken kap helemaal tot aan de nok laten doorlopen, dan zou dat teveel een belemmering zijn geworden voor de windvang van de molen. Foto uit 1943 (in Foto-archief Historische Kring Breukelen).

1747- 1764 Jan Bijman

1783 -1790 Jacob Focker

1791-1803 Jacob Hendriksz Griffioen, ged. Wilnis 16.6.1771

1804 -1805 Arie van Riet

1807 -1817 Willem Gerritsz Griffioen, ged. Breukelen 24.11.1782, overl. Kockengen 16.2.1846

1822 -1886 Martinus van Riet, geb. Breukelen 20.4.1801

1886 -1932 Martinus van Riet (neef), geb. Breukelen 12.5.1854

1933 -1951 Gerrit Boele, geb. Nieuw-Lekkerland 14.11.1904

Molenaar Jan Bijman woonde in 1765 in Portengen-Zuid en was daar waarschijnlijk watermolenaar. Op verzoek van de “Geërfdens en ingelanden van Cortrijk, Gieltjesdorp, Ruwiels ende Mareesz Gereghten” verklaarde hij toen, dat hij van 1747 tot 1764 als watermolenaar was “geemployeerd op de watermolen van bovengemelde gereghten, staande onder Breukelen Orttsgerecht” en dat hij de molen niet aan de gang kon krijgen wanneer de wind “met een genoegsame koelte uyt het Zuydoosten, Oosten of Noordoosten wayde”. Dat kwam door de hoge wilgen, essen en twee grote linden, die op vrij korte afstand van die molen stonden. Daardoor konden de landerijen niet van het overtollige water worden ontlast, zodat ze zelfs in de zomer “genoegzaam dras en onder water gestaan hebben, tot merkelijke schaden van de Bruykers derselver landen, soo als sulx onder andere selvs genoegsaam de gehele Somer van den Jaare 1763 gebeurt is”.7)

Volgens de Staat van huisgezinnen in Breukelen-Nijenrode en het belastingkohier op de consumptie was in 1783 en in 1790 Jacob Focker watermolenaar op de Kortrijkse molen. Volgens het kohier op de consumptie van 1791 was Jacob Hendriksz Griffioen zijn opvolger.8) Jacob, de jongste zoon van de molenaar op de Oudhuizer molen in Wilnis, was van 1791 tot 1803 watermolenaar in Breukelen.

Hij trouwde op 22.4.1792 te Zegveld met zijn twee jaar oudere nicht Neeltje Griffioen en kreeg zowel in 1793 als in 1794 een tweeling.9) Bij de doop in de Pieterskerk te Breukelen op 1.1.1793 waren als peet twee Breukelse schoonzusters van de jonge vader aanwezig: Willemeyntje Plomp, huisvrouw van de molenaar Gerrit Griffioen, en Anna Bloos, huisvrouw van de molenaar Willem Griffioen.2) De dopeling Hendrik werd in 1814 ook molenaar, en wel in Kockengen. Zijn jongere broer Arie (gedoopt 22.6.1796) was van 1824 tot 1833 watermolenaar in Portengen-Zuid en daarna tot 1849 in de Breukelerwaard.

In 1803 hadden Jacob en Neeltje Griffioen de Kortrijker molen verlaten en woonden ze in Loenen, waarschijnlijk op de Oukoper molen.10) In 1804 en 1805 woonde Arie van Riet met vrouw en twee kinderen op de Kortrijkse molen.11) In 1807 was Willem Griffioen Gzn er molenaar. Hij was een zoon van Gerrit Griffioen van de molen aan de Broekdijk en was op 24.11.1805 te Breukelen getrouwd met Marretje de Haan uit Waarder. Zijn gezin werd in 1808 met 2 volwassenen en 1 kind voor ƒ 3 aangeslagen in de belasting.12)

De Kortrijkse molen is ruim 100 jaar beheerd door twee leden van de familie Van Riet, die beiden de naam Martinus droegen. De eerste was Martinus van Riet, in 1801 te Breukelen, waarschijnlijk op de molen van Oud Aa, geboren, die tot zijn dood in 1886 op of naast de molen woonde.13)

Molenaars woonden ’s zomers meestal in een houten schuur of zomerhuis naast de molen. In de winter woonde het molenaarsgezin echter in de ondertoren van de wipwatermolen, die met zijn rieten bekleding veel warmer was, maar ook veel krapper. Beneden was een bedstee voor de ouders; voor de kinderen waren er twee op het zoldertje. Bewoning van de ondertoren werd verboden bij de woningwet van 1904, maar het polderbestuur van Kortrijk had al in 1885 een huis bij de molen. Omstreeks 1920 werd dit vervangen door een ruim stenen huis met gebroken kap aan de oostkant van de molen (Afbeelding 2). Dit type huis vind je bij veel molens, onder andere bij die van de Breukelerwaard en die van Oukoop, doordat het een ontwerp was van de moleninspecteur van Amstelland. Na het overlijden van Martinus van Riet volgde zijn inwonende neef Martinus 14) hem op. Hij trouwde en kreeg zes kinderen, van wie slechts twee dochters de volwassen leeftijd bereikten. Hij verliet de molen in 1932 toen hij 76 jaar oud was.

De Kortrijkse molen in 1940

Afb. 3. De Kortrijkse molen in 1940. V.l.n.r. molenaar Gerrit Boele, zijn zoon Huig, zijn vrouw Maria Holdermans en zoon Piet (op de ladder van de rietdekker). (Foto uit collectie H. Boele te Breukelen.)

Zijn opvolger Gerrit Boele, die de molen tot 1951 bediende, stamde uit een oude molenaarsfamilie in de Alblasserwaard en was in 1904 op een molen in Nieuw Lekkerland geboren.15) Gerrit kwam met zijn vrouw en dochter naar Breukelen, waar zij nog twee zonen kregen (Afbeelding 3).16) Toen in 1943 de molens in de provincie werden geregistreerd, was de Kortrijkse molen de enige nog werkende windmolen binnen de gemeentegrens van Breukelen-Nijenrode.17) De heer H. Boele, de jongste zoon van de molenaar, vertelde me onlangs:

“Een molenaar kijkt altijd naar de lucht om weersveranderingen vast te stellen en zijn molen tijdig gereed te maken voor hardere wind. Hij kan hem dan nog op de vang zetten en de zeilen innemen tot half zeil, of zelfs zonder zeilen verder malen. Ook in de oorlog keek vader vaak naar de lucht, maar toen ook wegens het gevaar van Engelse vliegtuigen die het station beschoten en de spoorlijn bombardeerden. Op een zondag was het zo erg, wel zes aanvallen, dat we naar het dorp vluchtten en enige tijd in het voorhuis van boerderij De Poel bleven wonen.

Bij de inundatie van de polder Kortrijk in het voorjaar van 1944 hebben de Duitsers tweemaal gedreigd de molen op te blazen. Om de polder blank te krijgen hadden de Duitsers de wachtdeur17 van de molengang opengewrikt en met een balk vastgezet. Doordat het scheprad niet in tegengestelde richting wilde draaien, liep er te weinig water de polder. Toen vader zei dit niet te kunnen verhelpen, dreigden de Duitsers de molen op te blazen.

Dat is niet gebeurd, want ze hadden een molenaar uit Zuid-Holland bereid gevonden het probleem op te lossen. Met een dommekracht werd een spil uit zijn pot gelicht en schuin geplaatst, zodat het tandwiel van het schoepenrad vrij kwam. Het scheprad kon toen meedraaien met het instromende water. Vader wilde echter geen hand uitsteken en heeft dus de as van het scheprad niet gesmeerd. De granieten steen waarin de as draaide is toen gloeiend heet geworden en gebarsten, waardoor de as wegzakte en het rad vastliep. Dat gebeurde met een hevige knal op een zaterdagmiddag omstreeks 5 uur. Een half uur later kwam er een Duitse patrouille langs, die constateerde dat het rad stilstond. Vader werd beschuldigd van sabotage en kreeg aangezegd, dat als het euvel maandagmorgen niet verholpen was, de molen opgeblazen zou worden. Toen is vader toch maar in actie gekomen.

Er was geen reservesteen, maar molenmaker-timmerman J. de Bruin uit Breukelen heeft er die zondag toch een opgescharreld en op de plaats van de kapotte steen gelegd. Toen de Duitsers maandag kwamen controleren, draaide het rad weer.”

De molen kwam ook wel eens stil te staan als een Duitse patrouilleboot een grote golf in de Kerkgracht en de molenvliet veroorzaakte, waardoor de balk in het water viel en de wachtdeur met een knal dichtklapte. De Duitse bewakers van de polder merkten dan aan het waterpeil dat er iets aan de hand was en plaatsten de balk weer tussen de deur en de muur van de watergang. De patrouillerende Duitsers waren veelal uit Nederland afkomstige Rijksduitsers, die aan de jongens Boele vertelden wanneer ze veilig met hun bootje de op last van de bezettingsmacht geïnundeerde polders in konden varen om hout te halen of eieren te zoeken.

Na de bevrijding werd de polder snel drooggemalen. Door de bombardementen had de molen echter schade opgelopen: er was een bom voor de molen in de Kerkgracht gevallen en ook een in het water achter de molen. Daardoor was de gemetselde bak van het binnenrad gescheurd, zodat deze vol water stond. Dat moesten de jongens Boele telkens met de hand wegpompen. Het water heeft toen het hardhouten binnenrad aangetast, waardoor herhaaldelijk pennen afbraken en de molen moest worden stilgezet tot timmerman Jan de Bruin of zijn knecht Teunis Spee het rad had gerepareerd.

Boele bezat als molenaar de visrechten in de polder Kortrijk. Hij rookte de gevangen paling en verkocht die. Hij heeft ook enkele jaren viswater in de Heycop gepacht, maar stopte daarmee wegens tegenwerking door de gebroeders Jan Jacob en Warnardus Griffioen, vishandelaren in Oud Aa.19)

In 1946 begon men met de aanleg van Rijksweg A2: er werd een geul in het veen gegraven van 6 meter diep, die werd volgespoten met zand. De molen heeft toen veel extra water moeten uitslaan. Omdat de molen in de luwte van de nieuwe weg zou komen, werden een elektrisch gemaal en een nieuw molenaarshuis aan de westkant van de A2 gebouwd tegenover de boerderij van Van Wees. De nieuwe woning werd in 1949 door de familie Boele betrokken. Gerrit Boele overleed daar in 1953, zijn vrouw in 1971. Na het overlijden van vader Boele werd zijn zoon Piet machinist op het gemaal. De polder werd omstreeks 1960 vergroot, doordat na de tweede verbreding van het Merwedekanaal het westelijke deel van de polder Otterspoorbroek bij de polder Kortrijk kwam. Later is een nieuw (nu volautomatisch) gemaal gebouwd aan de Heycop, westelijk van de oude Kortrijkse Dijk.

 

De Oukoper molen (Angstelkade 12)

1644 Henrick Martensz was de eerste molenaar die “voort malen van de molen de eerste reyse ende naesomer 1644” betaald werd (molenrekening 1655)

1803 Jacob Hendriks Griffioen, ged. Wilnis 16.6.1771

1828-1878 Gerrit Zaal, geb. Aarlanderveen 25.10.1808. In 1882 kreeg hij als oudmolenaar een pensioen van ƒ 1 per week

1878-1897 Pieter Zaal Gzn, geb. Loenersloot 6.10.1839, overl. ald.

1897-1937 Gerrit Zaal Pzn, geb. Loenersloot 14.6.1872, overl. ald. 1937. Hij woonde Oukoop 66 met vrouw en acht kinderen, waaronder vier zonen, maar zijn broer Jan volgde hem op en daarna werd zijn broer Cornelis molenaar in Oukoop

1937-1954 Jan Zaal Pzn, geb. Loenersloot 26.6.1874, overl. aid. 1954

1954-1961 Cornelis Zaal Pzn, geb. Loenersloot 5.1.1888

 

De molen van Portengen-Zuideinde

De molen van het Zuideinde van Portengen stond aan de zuidkant van de Grote Heycop ten westen van Portengense Brug; hij werd in 1926 vervangen door een dieselgemaal.

1765 Jan Bijman (?)

1827-1830 Arie Jacobsz Griffioen, ged. Breukelen 22.6.1796, overl. Breukelen-Nijenrode 12.3.1849

-1871 Bastiaan van Vliet, ged. Harmeien 4.10.1802

1871 -1904 Elbertus Versloot, geb. Oudenrijn 12.8.1838

1904-1916 Lukas Gijsbertus Markies, geb. Vianen 29.11.1869

1916 -1926 ? Markies

Jan Bijman, reeds genoemd in verband met de Kortrijkse molen, is waarschijnlijk ook in Portengen-Zuid watermolenaar geweest. In 1827 was Arie Jacobsz Griffioen er watermolenaar en visser. Hij trouwde op 23.4.1824 met Bartje van Garderen (geb. aldaar 4.6.1800). Het echtpaar kreeg twee kinderen in de Gemeente Ruwiel (1827 en 1829) en drie in Breukelen-Nijenrode (1834 – 1840), waar Arie molenaar was geworden op de Breukelerwaardse molen.

Bastiaan van Vliet, gehuwd met Geertrui van Rooyen (ged. Vleuten 14.6.1808), had tien kinderen. Het gezin vertrok op 23.5.1871 naar de Gemeente Ruwiel.

Elbertus Versloot was veehouder-watermolenaar, gehuwd met Jannigje van den Berg (geb. De Bilt 2.8.1828). Zij kwamen in 1871 met drie dochters uit Jaarsveld; in Portengen werden twee zoons en twee dochters geboren. In 1885 had de molen het huisnummer 135 en het nieuwe woonhuis nr. 134.

Lukas Gijsbertus Markies, watermolenaar, kwam op 14.1.1904 met vrouw en zoon uit Weesperkarspel; de familie ging op 22.3.1916 naar Zeist. Nog jarenlang woonde er bij de molen en het gemaal een Markies die ook klompenmaker was.

 

De molen van Otterspoorbroek

De molen van Otterspoorbroek stond aan de oostkant van de Broekdijk; hij werd in 1927 vervangen door een elektrisch gemaal, dat dienst heeft gedaan tot 1947.

1776-1831 Gerrit Hendriksz Griffioen, ged. Zegveld 1.3.1750, overl. Breukelen-Nijenrode 20.9.1831

1831-1868 Klaas Coljee, ged. Breukelen 17.10.1790, overl. aid. 13.6.1868

1868-1901 Gerrit Coljee, geb. Breukelen-Nijenrode 31.3.1825, overl. aid. 16.12.1901

1901-1932 Wilhelm Meindert (roepnaam Willem) Coljee, geb. Breukelen-Nijenrode 20.11.1867, overl. aid. 5.2.1932

1932-1972 (Jan Nicolaas Coljee, geb. Breukelen-Nijenrode 12.6.1907)

Gerrit Hendriksz Griffioen was de oudste zoon van Hendrik Griffioen, molenaar op de Oudhuizer molen in Wilnis. Gerrit trouwde met Jannetje Oskamp en werd molenaar in Breukelen-Nijenrode op de watermolen van Otterspoorbroek. In 1777 kreeg hij een zoon Hendrik, maar verloor hij zijn vrouw. In 1778 hertrouwde hij te Wilnis met Willemijntje Plomp (ged. Kockengen 8.6.1747) en kreeg nog zeven kinderen, waarvan er drie jong stierven.

Gerrit betaalde huurlasten – dat is een bijdrage in de bestuurskosten – in het Breukelen- Orttsgerecht. Hij werd niet hoog aangeslagen: meestal ƒ 1 per jaar, de gemiddelde aanslag voor een dagloner. Het kohier van de belasting op consumptie uit 1782 vermeldt, dat hij watermolenaar was.20) Deze belasting werd geheven over het verbruik van “gemaal, zegel, logiesgeld, geslagt, boter, zout, zeep, turf, koffie en thee”. Gerrit Griffioen betaalde daarvoor meestal ƒ 3 per jaar. Dat betaalde hij ook in 1808 toen een extra belasting werd opgelegd.21) Dat was evenveel als waarvoor de lantaarnopsteker Willem Donker op het Kerkplein was aangeslagen.

Gerrit Griffioen was toen voor de tweede keer weduwnaar; van zijn vier zonen en twee dochters woonden er nog twee bij hem thuis. Zijn zoon Willem was al molenaar in Kortrijk, maar zijn oudste zoon Hendrik trouwde pas in 1811 en was vermoedelijk veehouder aan de Broekdijk. Gerrits dochter Jannetje was naaister en trouwde in 1814 met de molenaarsknecht Klaas Coljee. Klaas bediende waarschijnlijk samen met zijn schoonvader de grote molen aan de Broekdijk, die later de molen van Coljee werd genoemd.

De familie Coljee stamde waarschijnlijk uit Frankrijk.22) In 1629 was een Jan Cailè, ruiter uit Breda, in Woudrichem getrouwd met Gerritje Gilles. Hun oudste zoon Jilles Caille (Caillé, Caljee, Coljee) woonde in Woudrichem, maar diens zoon Claas Caille vertrok naar Ameide, waar hij in 1707 trouwde. In 1718 werd daar zijn zoon Klaas Coljee gedoopt, die in Harmelen trouwde en omstreeks 1750 met vrouw en drie kinderen naar Kortrijk kwam. Diens oudste zoon Klaas (1749 – 1824) vestigde zich omstreeks 1780 als landbouwer op een pachtboerderij ten zuiden van Nijenrode.23) Zijn tweede zoon Jillis Coljee (1751 – 1821) bleef landbouwer op de familieboerderij in Kortrijk en kreeg daar uit drie huwelijken zeven kinderen. Daarvan werden er twee watermolenaar.

Klaas Jillisz Coljee werd opvolger van zijn schoonvader op de molen van Otterspoorbroek en Hendrik Coljee woonde tot zijn dood in 1827 op de watermolen van Spengen. Toen vader Jillis overleed, deed de 72-jarige molenaar Gerrit Griffioen daarvan aangifte. Gerrit zelf overleed in 1831 in hetzelfde huis waar zijn zoon Hendrik in 1825 was gestorven. Van beide sterfgevallen deed Klaas Coljee aangifte op het gemeentehuis te Breukelen, dat toen nog in de opkamer van café Het Regthuys was gevestigd.

Molenaar Klaas Coljee Jzn en Jannetje Griffioen (ged. Breukelen 9.12.1781, overl. ald. 14.12.1846) kregen twee dochters en een zoon Gerrit. Klaas was veehouder-molenaar; een deel van zijn land werd onteigend toen in 1843 de spoorlijn Amsterdam – Utrecht werd aangelegd.

In 1849 woonde Klaas als weduwnaar op de molen Wijk B nr. 282, aan de Broekdijk. Zijn zoon Gerrit Coljee trouwde in 1851 met Matje van de Heuvel (geb. Breukelen-St. Pieters 21.4.1831, overl. Breukelen-Nijenrode 14.9.1904) en ging bij zijn vader op de molen wonen, welke toen het huisnummer Wijk B nr. 25 had.

Zij hadden nog zes kinderen in leven toen vader Klaas overleed. In 1875 stierf de 14-jarige Gerrit Coljee en in 1877 verdronk de toen 19-jarige Nicolaas bij het scheprad van de molen. Omstreeks 1885 werd aan de westkant van de Broekdijk een kleine molenaarswoning gebouwd met het huisnummer B 42. Deze stond tegenover de molen, die toen het huisnummer B 43 kreeg. Het woonhuis is daar tot de verbreding van het Merwedekanaal blijven staan.

Gerrit was ook veehouder en had naast de molen en naast het huis veestallen. Toen omstreeks 1890 het Merwedekanaal werd gegraven, kwam het meeste land van Coljee aan de overkant van het kanaal te liggen.24) Zijn zoon Jilles (1866 – 1934), die veehouder en veehandelaar was, liet daarom omstreeks 1893 aan de Westkanaaldijk een boerderij bouwen.

De aanleg van het Merwedekanaal had ook gevolgen voor de molen: het westelijke deel van de polder Otterspoorbroek moest voortaan bemalen worden via sifons die onder het kanaal door naar de molen liepen. Er moest een nieuwe molenvliet worden gegraven, die niet meer langs de Broekdijk, maar langs de oostkant van de Kanaaldijk naar de Kerkgracht liep. Bij de Stationsweg (toen nog Poeldijk geheten) maakte de vliet een haakse bocht naar het oosten, werd daar breder en mondde voorbij de schutsluis, ter hoogte van de huidige sportschool van R. van Asdonck, uit in de Kerkgracht. Bij hoge Vechtwaterstanden was het echter niet mogelijk water uit te slaan. Soms mocht dan gedurende 24 uur de sluis bij Het State Wapen dicht en kon er via de schutsluis op het kanaal uitgeslagen worden. Dat was alleen bij hoge uitzondering toegestaan en daardoor stonden de landerijen vaak blank. In 1932 kon zelfs met een boerenschouw over het land worden gevaren. Na de dood van Gerrit in 1901 volgde diens tweede zoon, Wilhelm Meindert Coljee hem op als molenaar-veehouder aan de Broekdijk. Omdat veel van zijn land aan de westkant van het Merwedekanaal lag, reed hij er met een hondenkar heen om de koeien te melken. Hij trouwde in 1905 in Het Kraaiennest, dat dienst deed als het gemeentehuis van Breukelen-St. Pieters, met Hendrika Petronella van den Dool (geb. Moordrecht 14.4.1875, overl. Kockengen 16.10.1969) (Afbeelding 4). Zij kregen een dochter en vier zoons, waarvan de tweede, Jan Nicolaas, zijn vader bijstond als molenaar en hem in 1932 opvolgde als machinist.

Molenaar-veehouder Wilhelm Meindert Coljee

Afb. 4. Molenaar-veehouder Wilhelm Meindert Coljee met v. l. n. r. Matje Coljee, een buurmeisje, Huibert Coljee (op de molentrap) en W.M. Coljee Jr., die later bakker werd (foto uit collectie J. N. Coljee te Breukelen).

Het elektrische gemaal aan de Broekdijk

Afb. 5. Het elektrische gemaal aan de Broekdijk uit 1927. Kleindochter Anna Alida Ruizendaal zit in de groententuin van het oude molenaarshuis. (Foto uit collectie mw. N. van Tol-Coljee te Loenen.)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Jan Nicolaas Coljee (geb. 12.6.1907) vertelde mij onlangs: “Er stond een klein molenaarshuisje tegenover de molen. Het was lang niet zo groot als dat bij de Kortrijkse molen en veel lager. De lange Frank Zuiddam moest bukken als hij met zijn textielkoffer binnenkwam. Wij jongens sliepen niet in dat huisje, maar in de drie bedsteden in de molen. Het was wel veel lawaai als er gemalen werd. Vader deed dan de bedsteedeuren dicht met een wervel, maar door het trillen gingen ze open. Als de vang werd aangetrokken, schudde je bijna je bed uit. Naast de molen had vader een schuur met zeven of acht koeien en ook was er een schuur aan de overkant van de Broekdijk. Als het veel regende moest vader soms dagen en nachten achter elkaar malen. Ik hielp hem wel, maar als hij dan na drie dagen uitgeput was en even naar bed ging, kwamen de boeren hem weer wakker kloppen omdat de molen stilstond. As je bij oostenwind moest malen, schudde de molen erg. J e moest natuurlijk buiten de hekken blijven om geen klap van de wieken te krijgen. Een van de windhonden van slager Olie kreeg eens zó’n harde klap, dat hij de lucht in ging en op het erf van Kees van Stam weer op de grond kwam. Dat was ruim honderd meter zuidelijker aan de westkant van de Broekdijk, waar later H. Benedictus woonde en nu de directeur van Hotel Breukelen. De molenaar ving paling met een fuik aan een houten raam achter het scheprad en na 1927 achter de machine. Als een paling door de machine ging, hoorde je een tik en kwam het beest met een gebroken rug in de fuik. Vishandelaar Griffioen had die liever niet, omdat hij ze niet kon roken, maar we verkochten die dan in het dorp. Daar kwam je het snelst over het Korenpad, nu Willink van Collenstraat. Dat was toen nog een pad met twee klaphekken, dat door het land van Van der Grift van de molen naar de Straatweg liep. Mijn jongste broer Willem Meindert werkte eerst bij Van der Grift en werd later bakker in Breukelen. Mijn zuster Matje Mazina hielp ook vaak op de boerderij, tot ze met de gemeentetuinman G.J. Ruizendaal trouwde.”

Jan Nicolaas Coljee en zijn vrouw Jacoba Dullemond

Afb. 7. Jan Nicolaas Coljee en zijn vrouw Jacoba Dullemond voor hun nieuwe gemaal aan de Haarrijn. Op de achtergrond de boerderij van Van der Horst aan de Maarssenbroeksedijk. (Foto uit collectie mw. N. van Tol-Coljee te Loenen.)

In 1927 werd de molen afgebroken en vervangen door een elektrisch gemaal (Afbeelding 5). Na het overlijden van zijn vader trouwde Jan Nicolaas op 29.9.1932 te Loenersloot met Jacoba Dullemond en ging op het gemaal aan de Broekdijk wonen. Zijn moeder (Afbeelding 6) woonde in het molenaarshuisje tegenover het gemaal, tot het voor de kanaalverbreding moest wijken. J a n woonde tot 1947 met zijn gezin op het gemaal. Hij verdiende daar ƒ 1 per dag en moest dus bijverdienen om zijn gezin te onderhouden. Hij was boerenknecht en opperman, werkte voor de oorlog als melkontvanger op de melkfabriek en na de oorlog op de verzinkerij van Bammens in Maarssen. In de oorlog zaten zijn vrouw en kinderen vaak in de kelder van het gemaal aan de Broekdijk vanwege de beschietingen en bombardementen op het kanaal en het station. Op een zondag waren die zo hevig, dat de familie naar de boerderij van Ruth van Stam vluchtte, die wat zuidelijker aan de Broekdijk bij het bos van Nijenrode woonde. Na de oorlog heeft Jan Coljee 1000 uur moeten malen om de polder weer droog te krijgen. Dat zou, boven zijn jaarsalaris van ƒ 365, extra beloond worden met ƒ 1 per uur, maar dat werd gehalveerd.

Mevrouw H.P. Coljee-van den Dool

Afb. 6. Mevrouw H.P. Coljee-van den Dool (foto uit collectie mw. N. van Tol-Coljee te Loenen).

Omdat het oude gemaal moest wijken voor een kanaalverbreding, kwam er in 1947 een nieuw gemaal aan de Haarrijn achterin Otterspoorbroek (Afbeelding 7). Het oude gemaal is nu een woonhuis en staat met zijn rode puntdak pal naast de hoge brug. Het nieuwe gemaal stond op een ongunstige plek: te hoog en wel 1400 meter van de Vecht. Bovendien waren de pompen zwak. De polder was na de kanaalverbreding wel kleiner geworden, nog maar 250 hectare, maar werd samengevoegd met het poldertje Hoge- en Neermaten, dat voorbij de Oliphant lag. Volgens Coljee was het een lastig poldertje met een krenterig bestuur. Het schoonhouden van de Haarrijn gaf extra inkomen, maar leverde wegens het geringe uurloon niet veel op. In 1972, toen Jan Coljee 65 jaar werd, is hij door het polderbestuur ontslagen en werd hem de huur opgezegd. Op het gemaal kwam een zoon van een hoofdingeland te wonen en Coljee verhuisde naar een bejaardenwoning aan het Bisschopswater.

 

De molen van Groot en Klein Oud Aa

De molen van Groot en Klein Oud Aa stond aan de Portengense Uitweg (thans Portengense Zuwe geheten) en had een (nu gedempte) molenvliet van ongeveer 400 meter naar de rivier de Aa; hij werd omstreeks 1900 vervangen door een stoomgemaal en omstreeks 1960 door een dieselgemaal.

1783 Willem van Riet

1807 Arie van Riet

1830-1852 Hendrik van Harten, geb. Linschoten 1797, overl. 5.7.1852

1852-1866 Matje Tibbe, wed. van Hendrik van Harten, geb. Kamerik 24.8.1800, overl. 27.5.1866

1866-1891 Dirk van Harten, geb. Breukelen-Nijenrode 18.8.1832, overl. 1.11.1891

1891-1900 Maagje Meesters, wed. van Dirk van Harten, geb. Woerden 17.11.1842, overl. 26.6.1900

1900-1903 Anthonie van Harten, geb. Breukelen-Nijenrode 26.8.1873

1903-1911 Jan van Harten, geb. Breukelen-Nijenrode 21.7.1876

1911-1948 Pieter Brandhorst, geb. Moerkapelle 19.2.1883

1949-1969 Nicolaas de Bruin

Willem van Riet was in 1783 molenaar in Oud Aa, waar hij met een gezin van vijf personen woonde. Zijn opvolger Arie van Riet was daar in 1807 molenaar.25 Omstreeks 1830 kwam de in Linschoten geboren Hendrik van Harten op de molen. Na zijn overlijden nam zijn weduwe Matje Tibbe zijn taak over, bijgestaan door haar oudste zoon Cornells, die van 1853 tot 1862 weer thuis bij zijn moeder en jongste broer op de Uitweg B 92 kwam wonen.

Hij werd afgelost door Dirk, de tweede van de zes zonen, die zijn moeder opvolgde toen zij stierf. Dirk van Harten trouwde in 1871 met Maagje Meesters uit Woerden. Het huisnummer was intussen gewijzigd in Oud Aa 107. Tot zijn dood was Dirk molenaar van de polder Groot en Klein Oud Aa.

In 1885, toen zijn gezin inmiddels zeven kinderen telde, kreeg Dirk een molenaarshuis in Oud Aa (Wijk B nr. 160). Dirks weduwe was daarna molenaar tot haar overlijden. Haar zoon Anthonie van Harten volgde haar op, maar werd na drie jaar veehouder in Oud Aa (Wijk B nr. 163) toen hij met Jannetje van den Bosch trouwde. Zijn broer Jan van Harten was daarna molenaar-machinist tot 1911, toen hij met zijn vrouw en drie kinderen naar Canada emigreerde.

De volgende watermolenaar-machinist was Pieter Brandhorst, die op 25.3.1911 met zijn vrouw Fijtje Verheul uit Moerkapelle kwam. Op 1.1.1949 volgde Niek de Bruin hem op als machinist. Hij werkte als smid bij zijn broer Adriaan aan de Portengense Brug.

De gebroeders Visser, kolenhandelaren uit Portengen, leverden vaak de steenkool voor het stoomgemaal. Die werd dan per auto naar Oud Aa gebracht en daar bij de brug over de molenvliet in een vlet gestort om naar het gemaal te worden gevaren. De Uitweg was toen nog maar een pad over de molenkade en dus te smal voor een vrachtauto. Alleen als het land droog genoeg was, kon de vrachtauto door het weiland van Van Woudenbergh tot vlak bij het gemaal komen. Bij de ruilverkaveling is de weg verhard en doorgetrokken naar Portengen-Noordeinde. Toen is ook de voorvliet gedempt.

 

De molen van de Breukelerwaard

De molen van de Breukelerwaard stond 250 meter ten westen van de Straatweg achter de huidige Linnaeusdreef en had een circa 400 meter lange molenvliet naar de Vecht, welke vliet de gemeentegrens met Loenen vormde.

De molen werd omstreeks 1890 vervangen door een eenvoudig stoomgemaal. In 1904 kwam er een moderner stoomgemaal aan de Straatweg.

1830 -1849 Arie Jacobsz Griffioen, ged. Breukelen 22.6.1796, overl. 12.3.1849

1849-1874 Bartje van Garderen, wed. van Arie Griffioen, ged. Tienhoven 4.6.1800, overl. 10.3.1874

1849-1854 Cornelis Griffioen Azn, geb. Ruwiel 15.11.1829; ging naar Maarsseveen

1854-1902 Jacob Griffioen Azn, geb. Breukelen-Nijenrode 7.8.1836 (was omstreeks 1890 machinist-molenaar van beroep), overl. 7.11.1902

1902 -1913 Trijntje Brouwer, wed.van Jacob Griffioen, geb. Ouderkerk 26.8.1845

1913 -1954 Aart Dolman, geb. Westbroek 4.2.1879

De op de Kortrijkse molen geboren Arie Jacobsz Griffioen ruilde omstreeks 1830 de molen van Portengen-Zuid voor die van de Breukelerwaard. Met zijn vrouw en twee kinderen verhuisde hij tussen 1829 en 1834 naar de molen bij de Straatweg. Hun zoon Jacob, die in 1834 te Breukelen werd geboren, leefde slechts 16 dagen. Arie en Bartje kregen in 1836 een zoon die ze weer Jacob noemden. Na de dood van haar man nam Bartje van Garderen zijn werk over, daarin bijgestaan door haar zoon Cornelis. Die vertrok na zijn huwelijk in 1854 naar Maarsseveen en droeg zijn taak in de Breukelerwaard over aan zijn broer Jacob, die toen nog maar 17 jaar oud was. Jacob trouwde in 1867 met Trijntje Brouwer; zij kregen vier dochters. Moeder Bartje woonde in bij haar zoon tot haar overlijden.

De molen (Breukelen-Nijenrode Wijk B nr. 225) werd omstreeks 1890 vervangen door een eenvoudig stoomgemaal met een waterrad.26  Molenaar Jacob Griffioen werd toen machinist en betrok de nieuwe molenaarswoning in Wijk B nr. 226 (nu Straatweg 195). Nadat Jacob was overleden, bleef zijn weduwe tot 1913 in het molenaarshuis wonen. Ze zal hulp van derden hebben gehad bij het stoken van de machine. Misschien wel van de molenaarszoon Jan Boekweit die van 1905 tot 1912 vlak bij het gemaal, op Straatweg 221, woonde.

benoemingsbrief van de heer A. Dolman

Afb. 8. De benoemingsbrief d.d. 2 januari 1913 van de heer A. Dolman tot machinist aan het stoomgemaal van het Waterschap Breukelerwaard. (Collectie J. Dolman te Breukelen.)

In 1904 kwam aan de Straatweg in de molenvliet naast het molenaarshuis een moderner stoomgemaal. Het had een centrifugaalpomp met een hogedruk- en een lagedrukcilinder, die het polderwater via een buis onder de Straatweg naar de voorvliet en de Vecht pompte.

Het oude gemaal werd omgebouwd tot een woning, waar Janus en Kaatje Dros jarenlang woonden en Kaatje kippen fokte en eieren verkocht. Toen Trijntje in 1913 naar het Korenpad was verhuisd, kwam Aart Dolman, de nieuwe machinist, in het molenaarshuis wonen (Afbeeldingen 8 – 10).

De kolen voor het gemaal moest hij op het station Nieuwersluis uit een door het polderbestuur bestelde wagon halen. Hij bracht die met zijn kruiwagen naar de schuit, waarmee hij ze over de Angstel, de Nieuwe Vaart en de Vecht naar het gemaal vervoerde. Daar hoefde hij ze alleen nog naar de overkant van de weg in de kolenschuur naast het gemaal te kruien. Als de peilschaal aangaf dat het polderwater te hoog stond, vergde het een halve dag stoken om de machine onder stoom te brengen.

Dolman verstond het vak, want hij was sleepbootmachinist op de Rijnvaart geweest. Hij had in 1906 zijn oude beroep van visser weer opgevat en was in dienst gekomen bij vishandelaar W. Griffioen in Oud Aa te Breukelen. Dolman woonde tegenover Griffioen aan de Galgerwaard naast zijn collega Pieter van Eijk. Na 1913 bleef hij in de vishandel, want hij kocht paling bij andere molenaars, rookte die en verkocht ze aan huis. Hij bezorgde ook wekelijks paling bij klanten in Amsterdam en tot op hoge leeftijd stond hij op Koninginnedag met een palingkraam voor het Posthuis aan de Straatweg in Breukelen. In april 1963 overleed hij op de leeftijd van 84 jaar.27)

Machinist Aart Dolman en zijn echtgenote

Afb. 9. Machinist Aart Dolman en zijn echtgenote Johanna de Graaf. (Collectie J. Dolman te Breukelen.)

Foto familie Dolman

Afb. 10. Familiefoto achter het stoomgemaal. De familie Dolman bij de volière en het kolenhok naast de schoorsteen aan de westkant van het gemaal. Staande met vest en pet: machinist A. Dolman, naast hem zijn schoondochter Dirkje Maagdelijn, gehuwd met Johan (ervoor zittend met hond). Zittend v.l.n.r. moeder Johanna Dolman-de Graaf, haar zoon Gerrit Dolman en zijn vrouw, de echtgenote van de fotograaf Evert Dolman, Johan Dolman, en twee familieleden uit Utrecht. (Collectie J. Dolman te Breukelen.)

 

 

 

 

 

 

 

 

De molen van Breukelen-Proostdij

De molen van Breukelen-Proostdij had een molenvliet van ongeveer 400 meter naar de Vecht (ten zuiden van de nieuwe begraafplaats); de molen is in 1942 afgebroken, maar was al in 1922 vervangen door een dieselgemaal aan het Zandpad.

18267-1869 Leendert Johan de Bruijn, geb. Amsterdam 1799, overl. Breukelen-St. Pieters 17.4.1882, rooms-katholiek, watermolenaar, gehuwd met Cornelia van Heiningen, geb. ‘s-Gravenhage 1802, zes kinderen; gingen in 1869 naar Loosdrecht

1870-1917 Johannes Boekweit, geb. Abcoude 11.11.1845, overl. Breukelen-Nijenrode, rooms-katholiek, watermolenaar; gehuwd met Johanna van Rossum; 18 kinderen tussen 1873 en 1905, waarvan er 8 jong stierven

1917 -1922 Jan Boekweit, geb. Breukelen-St. Pieters 22.4.1874, kwam in 1912 uit Breukelen-Nijenrode naar een woning in de Vliegende Kraai. Hij verhuisde in 1917 naar het molenaarshuis Wijk A nr. 9 (de molen is Wijk A nr. 10)

De molen werd zó lang beheerd door de familie Boekweit, dat hij soms zelfs “De Boekweit” werd genoemd. Op het fundament van de molen verrees in de loop van veel jaren een “kasteeltje”, dat werd gebouwd door L. van de Kerkhof, handelaar in passementen, kwasten, galons en band. Het bouwsel wordt tot vandaag de dag door de gemeente gedoogd.

Het dieselgemaal werd eerst door Jan Boekweit, later door M.C. van Zuijlen (Zandpad 12) bediend. In 1997 is het vervangen door een geautomatiseerd “onderwater-gemaal”.

 

De verdwenen molens van Breukeleveen

De twee grote achtkante molens zijn in 1649 en 1684 gesticht op de hoek van de Scheendijk en de Weersloot. Ze zijn omstreeks 1840 afgebroken.

1685 Cornelis Jacobsz Sael aangesteld op de nieuwe watermolen te Breukeleveen

1778-1842 Willem Hendriksz Griffioen (ged. Zegveld 8.4.1753, overl. Breukelen -St. Pieters 29.1.1842) en zijn zoon Jan Willemsz Griffioen (ged. Breukelen 26.1.1782, overl. 10.10.1827);  de laatste was wellicht van 1802 tot 1827 molenaar op de andere molen.

 

Willem Hendriksz Griffioen was landbouwer en watermolenaar te Breukeleveen. Hij werd in 1806 in het toen weer even zelfstandige gerecht Breukelen-St. Pieters (Breukelen-Proostdij) voor een gezin van 2 volwassenen + 1 kind in de belasting aangeslagen voor ƒ 3. Zijn zoon Jan Willemsz Griffioen was watermolenaar en ganzenvanger; hij trouwde en kreeg in 1806 een belastingaanslag voor ƒ 2 voor 2 volwassenen. De andere zoon Arie Willemsz Griffioen (ged. Breukelen 25.6.1786, overl. Wilnis 4.10.1859) werd in 1806 voor 2 volwassenen belast met ƒ 1. Zijn schoondochter, de weduwe van Hendrik Willemsz Griffioen (ged. Breukelen 29.11.1778) werd in 1806 voor 1 volwassene + 1 kind belast met ƒ 7. De familieleden woonden dicht bij elkaar, want ze stonden achter elkaar in het belastingkohier.

 

Noten

1) Ik heb gezocht in de bevolkingsregisters die in 1849 zijn opgesteld en de registers van de Burgerlijke Stand die vanaf 1811 zijn bijgehouden in de gemeenten Breukelen-St. Pieters, Breukelen-Nijenrode, Ruwiel, Kockengen en Loenersloot. In het oud archief heb ik de belastingkohieren van de gerechten geraadpleegd, waarin soms het beroep van de belastingplichtige werd vermeld. Bij een verdergaande bestudering zullen ook de archieven van de waterschappen geraadpleegd moeten worden.

2) N. Griffioen, 1969. Familieboek Griffioen (deel 1, eerste negen generaties). Baambrugge. Ik dank de heer H. Griffioen, Silversteyn 17 te Breukelen voor zijn bereidwilligheid mij dit boekdeel enige tijd te lenen.

3) Deze watermolen stond niet ver van Woerdense Verlaat bij de Oudhuizer schutsluis op de hoek van de Heinoomsvaart en de Oudendamseweg (zie Chromotopografische Kaart des Rijks 1 : 25000, blad nr. 425 Kockengen, uit 1872/1873; afgedrukt in 1989 in Historische Atlas van Utrecht, Uitgeverij Robas Producties, Den lip).

4) B. van Leeuwen, 1993. De Molens van Spengen en Kockengen. Stichting De Utrechtse Molens, Utrecht, 46 blz.

5) Adrianus Griffioen (geb. Oudenrijn 15.10.1818) was een kleinzoon van molenaar Adrianus Hendriks Griffioen (ged. Zegveld 9.11.1755, overl. Zuilen 3.10.1833) en een zoon van watermolenaar Rijk Griffioen (ged. Maarssen 2.12.1792, overl. Maarsseveen 29.6.1865).

6) E. Stoop, 1998. Experiment in de molenbouw bracht molenaar van Spengen in problemen. Tijdschrift Historische Kring Breukelen, jaargang 13, nr. 2, blz. 82 – 88.

7) Oud Archief Gemeente Ruwiel (Gemeentehuis te Breukelen), inv. nr. 56.

8) Oud Archief Breukelen-Nijenrode (Gemeentehuis te Breukelen), inv. nr. 238, Staat van de huisgezinnen in 1783; onder nr. 213 staat in de lijst: Willem van Riet, waatermoolenaar, 4 personen boven en 1 onder de 10 jaar, ƒ 5; nr. 229 is Claas Conjee, boer, gebruikt 24 morgen lant onder desen geregte, 5 personen, ƒ 46; nr. 244: Jacob Focker, waatermoolenaar, 2 personen, ƒ 7. Idem, inv. nr. 155, Belastingkohier op de consumptie over het jaar 1790/1791, nr. 194: Jacob Focker, watermolenaar, 2 personen, ƒ 7; nr. 196: Jellis Coljee, boer, 4 personen, ƒ 50. Idem, inv. nr. 156, kohier 1791/1792, nr. 193: Jacob Griffioen, watermolenaar, 1 persoon, ƒ 7; nr. 195: Jilles Coljee, boer, 4 personen boven en 1 persoon onder de 10 jaar, ƒ 48.

9) Oud Archief Breukelen-Nijenrode, inv. nr. 156, Belastingkohier op de consumptie 1791/1792, nr. 193: Jacob Griffioen, watermolenaar, 1 persoon, ƒ 7. Idem, inv. nr. 157 (1792/1793), nr. 196: Jacob Griffioen, watermolenaar, 2 personen, ƒ 7. Idem, inv. nr. 158 (1793/1794), nr. 197: Jacob Griffioen, watermolenaar, 2 personen boven en 2 personen onder de 10 jaar oud, ƒ 7. Idem, inv. nr. 159 (1794/1795), nr. 205: Jacob Griffioen, watermolenaar, 2 personen boven en 4 personen onder de 10 jaar oud, ƒ 4.

10) Het Familieboek Griffioen vermeldt bij de afbeeldingen achter blz. 4, 6, 8 en op blz. 67, dat Jacob Griffioen, ged. Wilnis 16.6.1771, jongste zoon van molenaar Hendrik Griffioen op de Oudhuizer molen in Wilnis, in 1792 trouwde met zijn nicht Neeltje Griffioen uit Zegveld en molenaar werd op de Oukoper molen. Dat laatste is voor het jaar 1792 onwaarschijnlijk, want hun tweeling Hendrik en Jannigje werd op 1.1.1793 en hun tweeling Elizabeth en Neeltje op 6.6.1794 te Breukelen gedoopt en niet in (Nieuwer) Ter Aa of Loenen, zoals je zou mogen verwachten. Toen Jacob op 5.4.1792 in ondertrouw ging, werd in het trouwboek van Breukelen vermeld: “Jacob Griffioen J.M. geboren onder Wilnis en wonende te Breukelen”. Dat was ook zo, want Jacob ging pas omstreeks 1803 naar Loenen, waar de jongste twee kinderen in 1803 en 1806 werden gedoopt. Waarschijnlijk was Jacob toen molenaar in Oukoop.

11) Oud Archief Breukelen-Nijenrode, inv. nr. 165, belastingkohier 1804 – 1805, nr. 196: Arie van Riet, watermolenaar, 2 personen boven en 2 onder de 10 jaar, ƒ 8; inv. nr. 166, mei tot december 1805, nr. 201: Arie van Riet, watermolenaar, 2 + 2 personen, ƒ 7; nr. 204, Jilles Coljee, boer, 4 + 5 personen, ƒ 40.

12) Archief Dorpsgerechten (Het Utrechts Archief te Utrecht), inv. nr. 370, fol. 166, juni 1807: Willem Griffioen, watermolenaar van Cortrijk. Oud Archief Breukelen-Nijenrode, inv. nr. 245, Quotisatie van 1808. In dit belastingkohier staat Willem op de regel boven J a n Degenkamp van de herberg Galgerwaard.

13) Het bevolkingsregister Breukelen-Nijenrode vermeldt vanaf 1849 op de Kortrijkse molen: Martinus van Riet, geb. Breukelen 20.4.1801, overl. aid. 1.12.1886, rooms-katholiek, watermolenaar, gehuwd met Antje van den Bosch, geb. Loenen 11.6.1798. In 1874 heeft de molen het adres Poeldijk 61; de jongste zoon Martinus, geb. 1832, is dan herbergier op Poeldijk nr. 54. In 1885 heeft de molen het huisnummer 92 en is er een molenaarswoning met huisnummer 91.

14) Martinus van Riet, geb. Breukelen-Nijenrode 12.5.1854, trouwde met Adriana van Kuijk (geb. Cothen 18.9.1861, overl. Breukelen-Nijenrode 19.5.1929). Van Riet verhuisde in 1932 naar de Engel de Ruiterstraat 2 en woonde later in op Domineeslaantje 33.

15) Huig Boele vertelde me op 14.3.1998, dat zijn overgrootvader molenaar was op de wipwatermolen “Zwarte Blokker” te Kinderdijk. Zijn grootvader Huig Boele was molenaar op de voorste molen vanaf noord in Kinderdijk, een grote stenen watermolen. Molendeskundige Jan den Besten verschafte mij enkele gegevens uit het Zuid-Hollands Molenhoek (Samsom, Alphen aan den Rijn, 1961): Op molen nr. 8 van het Waterschap Overwaard, gebouwd in 1740, was een Lauw Boele de eerste molenaar; bij de buitengebruikstelling op 1.7.1950 was Jan Boele de laatste molenaar en tot 1960 bemaalde A. Boele als vrijwilliger de molen. Ook op molen nr. 4 en op de Nederwaardmolen te Kinderdijk kwamen in de loop der jaren molenaars met de naam Boele voor; evenzo op de Kleine Molen van Nieuw Lekkerland.

16) Dochter Hendrika was in 1928 in Alblasserdam geboren. De zoons Pieter en Huig Boele zijn respectievelijk in 1933 en 1935 in Breukelen-Nijenrode geboren.

17) Nieuw Archief Gemeente Breukelen-Nijenrode, inv. nr. 586, Inventarisatie molenbestand 1943, bevat een inventarisatielijst d.d. 3.2.1943 plus foto van de molen. Daarin staan de volgende gegevens: De enige windmolen van Breukelen-Nijenrode staat op Sectie C nr. 2100 en is eigendom van het Waterschap Kortrijk/Gieltjesdorp (secretaris J.N. de Boggende), molenaar is G. Boele, Stationsweg 105; de molen is gebouwd in 1696 en niet verplaatst of verbouwd. Het open scheprad heeft een opvoerhoogte van ongeveer 1,5 meter en een waterverzet van minimaal 40 kubieke meter per minuut bij normale wind. De te bemalen polder is ongeveer 450 hectare. De wipwatermolen is van hout op een stenen voet met een onderbekleding van riet; hij heeft gewone Hollandse, niet gestroomlijnde wieken met een vlucht van 28 meter, ijzeren roeden; de hoogte van de molen is ongeveer 16 meter. De vaste molenmaker is J. de Bruin te Breukelen.

18) T. van Veen, 1989. Taal en Leven in de Utrechtse Vechtstreek. De Walburg Pers, Zutphen, blz. 141: wachtdeur, klein sluisdeurtje bij een watermolen vlak vóór ’t scheprad, dat het boezemwater van de voorvliet keert, als de molen niet maalt; blz. 176: Intappe(n). Wanneer in droge zomers het water in de polder te laag wordt, moet dit weer op ’t juiste polderpeil gebracht worden door ’t inlaten van boezem of buiten water. Dit geschiedt Ie door ’t openen van ’t sluisverlaat en (of) 2e door ’t openzetten van de wachtdeur aan de watermolen.

19) Hun vader Wernardus Griffioen (geb. Zuilen 8.11.1857) was een zoon van Rijk Griffioen (ged. Maarssen 2.12.1792, overl. Maarsseveen 29.6.1865), watermolenaar op de grote molen van Oostwaard in Maarsseveen en kleinzoon van Adrianus Griffioen (ged. Zegveld 9.11.1755, overl. Zuilen 3.10.1833).

20) Oud Archief Breukelen-Nijenrode, inv. nr. 160, 161, 312 – 335, Buurlasten Breukelen-Orttsgerecht 1781 – 1811. Gerrit betaalde jaarlijks ƒ 1 en soms maar ƒ 0,75 buurlasten. In 1803 stegen die naar ƒ 5 en in 1809 naar ƒ 6 per jaar. Idem, inv. nr. 336 – 355, Kohieren op de Consumptie in Breukelen-Orttsgerecht 1782 – 1805. Deze belasting bedroeg voor Gerrit Griffioen meestal ƒ 3 per jaar; in 1795 echter ƒ 8. Zijn broer Jacob betaalde doorgaans ƒ 7, boer Jilis Coljee ƒ 48, Joost van Tricht op boerderij De Poel ƒ 63, herbergier J a n de Kruyf van Het State Wapen ƒ 100 en Johan van der Voort op Vredenoord ƒ 135.

21) Oud Archief Breukelen-Nijenrode, inv. nr. 245, Landelijke Quotisatie van 3 miljoen gulden. Een dagloner in Breukelen betaalde ƒ 1, de lantaarnopsteker Willem Donker ƒ 3, de korenmolenaar Dirk Berkesteyn ƒ 15, herbergier Jan de Kruyf ƒ 15, landbouwer Jiles Coljee ƒ 15, landbouwer Jan van Ginkel ƒ 18, en Johan Ortt van Nijenrode ƒ 50.

22) Jac. de Bruijn, 1973. Genealogie van de familie Coljee. Privé-uitgave van de heer De Bruijn te De Meern. De heer J.N. Coljee te Breukelen was zo vriendelijk mij deze genealogie enige tijd te lenen.

23) Notarieel Archief (Het Utrechts Archief), inv. nr. 553, akte nr. 68, Memorie van Lasten van Nijenrode in dato 30 Augustus 1817: Nr. 4 een extra Capitale Boerderij getekend in de Verponding nr. 1 (. . .) tot 1818 verhuurd aan Claas Coljee voor ƒ 584.

24) H.J. van Es, 1992. Gravers, grondeigenaren en gevolgen van het Merwedekanaal bij Breukelen. Tijdschrift Historische Kring Breukelen, jaargang 7, nr. 3, blz. 121 -137.

25) Oud Archief Breukelen-Nijenrode, inv. nr. 238, Staat van huisgezinnen in 1783, nr. 213: Willem van Riet, waatermoolenaar, 4 personen boven en 1 onder de 10 jaar, ƒ 5. Archief Dorpsgerechten (Het Utrechts Archief), inv. nr. 370, fol. 166, Juni 1807: Arie van Riet, watermolenaar van den Oudasen watermolen.

26) Zie J. van Muiswinkel, 1973. Breukelen en Nieuwer Ter Aa. Oude prentkaarten vertellen verder. Repro-Holland, Alphen aan den Rijn, blz. 93. Het oude stoomgemaal op de plaats van de wipwatermolen en het zomerhuis van de molenaar.

27) E.J. Rinsma, 1986. De Ronde Venen, een omgekeerde wereld. Canaletto, Alphen aan den Rijn, vermeldt op blz. 217: “De Breukelerwaard zocht het in 1904 in stoombemaling. De heer A. Dolman is sinds 1908 machinist van dit gemaal.” Dit is onjuist, want de Burgerlijke Stand van Breukelen-Nijenrode geeft aan, dat Dolman pas in 1913 met zijn gezin op de Straatweg ging wonen. Daar werd op 25.10.1919 zijn jongste zoon Johan geboren, die in december 1954 machinist werd op het nieuwe gemaal van de Breukelerwaard aan de Westkanaaldijk.