Misdaad uit wanhoop

Uit: J. Portengen, “Zicht op Oud-Valkenburg”, 1991

Gewurgd aan de paal

Toen Abraham de Haas het dode kindje van Annetje Vergunst werd getoond, zag hij dadelijk dat hier iets helemaal verkeerd was gegaan. Met spoed liet hij de meester chirurgijn ontbieden. Jan van der Meer was het met hem eens, er zou een lijkschouwing gehouden moeten worden. Hij wist wat hem te doen stond. Nog geen dag later lag het rapport bij de baljuw op tafel. Mede ondertekend door Cornelis Ravenhorst, medisch dokter wonende te Leiden en Jacobus Verdonck, meester chirurgijn aldaar. Anna Catharina Vergunst werd gevangen gezet in het Regthuys van Valkenburg. Dat was op 3 mei 1740.

Vijf dagen later, er was toen al het één en ander gepasseerd, werd de gevangene geleid voor de welgeboren mannen van Valkenburg. Het college bestond uit de heren Cornelis Oudshoorn, Hendrik Binnendijk, Cornelis van Egmond, Hendrik Vlasveld en Jacobus Verhoef. Het verhoor zou geschieden op “artikelen”. Dat wil zeggen dat er een aantal vragen waren opgesteld door de baljuw, genummerd, en opgeschreven. De antwoorden op de vragen werden tijdens het verhoor genoteerd.
Hendrik Vlasveld deed het woord, streng keek hij de zielige gestalte voor hem aan. “Hoe oud bent u?'” Annetje dorst nauwelijks op te kijken. Verward mompelde ze “Zes en twintig? Nee, zeven en twintig. ”
Vraag twee werd gesteld: “Wist je al lang dat je in de kraam moest?” “Ja” knikte Annetje meer dan ze hoorbaar was. De ondervrager aarzelde even, keek nog eens in het boek. “Bij wie ben je “zwaar” geweest?” Annetje keek de mannen voor haar hulpeloos aan. Zag slechts strenge afkeurende blikken. Ze had het allemaal al verteld, moest ze het hier nog eens zeggen?

“Pieter van der Mark ” begon ze aarzelend en onder de dwingende blikken ging ze verder. “Omtrent tien weken voor de paardenmarkt, in het voorhuis, waar zijn zuster woont”. Alsof ze het liefdesspel opnieuw beleefde ging ze verder: “Dat was de derde keer! De eerste maal was op de zolder, in datzelfde huis”. Het bleef doodstil. De mannen keken haar aan zoals een boer het bespringen van een koe aanschouwt.
De baljuw schreef driftig in het boek. Hendrik keek op het papier voor hem en las vraag 4. Of Pieter van der Mark wist dat ze bevrucht was? “Nee” schudde Annetje het hoofd. “Dat heb ik hem nooit gezegd”.
Ietwat gehaast werd de volgende vraag voorgelezen: “Heb je nog met iemand anders vleselijke conservatie gehad?” Annetje keek niet begrijpend, zodat Hendrik de vraag moest verduidelijken. Het ging hem goed af. “Ja, drie of vier dagen daarna. Met Cornelis Clements.” Annetje, als putte ze kracht uit deze herinnering, keek weer op maar kromp weer in elkaar toen ze de realiteit onder ogen zag. Snel werd de volgende vraag gesteld. “Werd je ervoor betaald?” Annetje schudde heftig het hoofd. “Heb je iemand verteld dat je zwanger was?” Weer schudde ze het hoofd. Hendrik Vlasveld pauzeerde even, veegde met zijn halsdoek het zweet van zijn voorhoofd en vervolgde: “Was je van plan het kind heimelijk dood te maken?”

Annetje schudde het hoofd en hief afwerend de geboeide handen. Omdat de inquisiteur daarmee niet tevreden leek bracht ze met moeite uit “Nee, pas toen het kind er was”.
Vraag negen werd gesteld. “Wanneer ben je in de kraam gekomen?” “Zondagmorgen” begon Annetje. Nader gevraagd voegde ze er aan toe:”Tussen negen uur en half tien”. De baljuw schreef: ”Zondagmorgen 1 Mei 1740”.
“Heb je niet om hulp geroepen?” werd de ondervraging voortgezet. “Nee” schudde Annetje het hoofd.
“Was het kind dood, of levend?” Annetje had geen enkele behoefte te ontkennen. Nog was er moederlijke trots in haar antwoord te horen. “Het was een levend kind!” “Maar hoe?” Hendrik keek nog eens op zijn papier, “Hoe kon je dan? Hoe deed je het?” Annetje begon toonloos, alsof ze een uit het hoofd geleerd verhaaltje opzegde, te beschrijven hoe het gedaan was. Hoe ze het pasgeboren wicht, dat tussen haar voeten lag, gepakt had. Hoe ze het met haar rechterhand tegen haar rechterbeen gedrukt had totdat ze zeker wist dat het dood was. Ontzet keken de welgeboren mannen van Valkenburg elkaar aan. Dat zoiets in hun dorp gebeuren kon!

Hendrik Vlasveld liet zich aflossen, zette zich met een zucht van verlichting achter de tafel. Verhoef nam zijn plaats in, las het geschrevene en stelde op zakelijke toon vraag 12. “Waar liet je de nageboorte?” Annetje beschreef hoe ze die zondagmiddag tussen twee en drie uur de overblijfselen in het “sekreet” van Pietertje, de weduwe Vlieland, had gedeponeerd. “En het stoffelijk overschot, waar liet u dat”, vervolgde de vragensteller. Als in een nachtmerrie keek Annetje haar ondervrager aan. Haar geboeide handen wringend en tenslotte snikkend beschreef ze hoe het eerst in haar opkwam het lijkje ook maar in dezelfde wc put te gooien. Hoe ze het echter ineens niet meer over haar hart kon verkrijgen. Het kindje in een blauw gestreept hemdrokje speldde en er mee in bed was gaan liggen. Hoe ze tenslotte haar baby’tje in de kast, op een plank, gelegd heeft. Van plan om het een dag of drie later ergens te begraven. En tenslotte, desgevraagd, dat dit alles gebeurd was in het huis van haar broer, op een kamertje. De eerste ondervraging was afgelopen. Annetje werd afgevoerd. De welgeboren mannen beraadslaagden hoe verder te handelen.
De volgende dag werd Annetje opnieuw ondervraagd.
Een paar zaken moesten nader werden toegelicht. Met name “of zij gevangene nooit enige preparacys ofte toestel van eenig kindergoet of anders ’t geen een kraamvrouw benodigt heeft by haar selfs wetende, dat sulks in sodanige tyt nodig was?” Annetje antwoordde ontkennend. “Waarom niet?” werd er gevraagd. “Met enkel niet verstand” tekende de baljuw op uit de mond van de verdachte. “Of ze dat niet nagelaten heeft om haar kwade voornemens des te beter bedekt te kunnen houden?” kwam de volgende vraag. “Segt neen, met haar nietig verstand” schreef de hooggeleerde Abraham de Haas. Kwam er iets van begrip?

Op 13 Mei 1740 had de baljuw zijn eis opgesteld.
Het document werd de welgeboren mannen in openbare vierschaar voorgelegd. “Hoewel zij gevangene volgens des Heeren alderheyligste wette verpligt was zig eerlijk en Kuys te gedragen integendeel sy gevangene heeft bestaen zig van tyt tot tyt over te geven tot een oneerlyk Vuyl en ontugtig leven, in zo verre zelfs dat zy zig niet alleen heeft verlopen in Hoererye maar dat zy ook die haer ziel verdervende troetel sonden in diervoegen heeft gekoestert, gevoert ende met verscheydene persoonen begaen ende gepleegt. Dat zy gevangene zig aen de duyvel, de wereld en haer eyge vlees overgegeven hebbende is geraeckt bevrugt en beswangert”, enz. Om kort te zijn, in het slot constateert hij dat door het ingrijpen van God verijdeld is dat de boze daad verborgen bleef. Dat wie bloed vergiet diens bloed vergoten moet worden. Stelt deswege voor Anna Catharina Vergunst voor te leiden op het publieke schavot voor het Rechthuys van Valkenburg. Haar daar aan een paal te binden en vervolgens door de scherprechter met een koord den hals te wurgen. Tot de dood er op volgt.
En vervolgt aldus: “Dat voorts haer doode lichame, als begravenisse onwaerdig, op het galgevelt alhier op een rat geset en ten prooi van het wilt gevogelte sal worden overgegeven”.
Uiteraard werd tot besluit gesteld dat de kosten op de gevangene zouden worden verhaald. Hetgeen de welgeboren mannen aldus besloten.
Het vonnis werd voltrokken op 27 mei 1740.